Psalmen 91
1Die1 in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal overnachten in de schaduw2 van de Almachtigen.
23 Ik zal tot JAHWEH zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welke ik vertrouw!
3a Want4 Hij zal u redden5 van de strik6 van de vogelvanger, van de zeer verderfelijke pestilentie.
4Hijb zal u dekken met Zijn vlerken, en7 onder Zijn vleugelen zult u betrouwen;8 Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.
5c U zult niet vrezen voor9 de schrik in de nacht, voor de pijl, die overdag vliegt;
6Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat10 op de middag verwoest.
7Aan11 uw zijden zullen er12 duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u13 zal het niet naderen.
8Alleen zult u het met uw ogen14 aanschouwen; en u zult de15 vergelding van de goddelozen zien.
9Want U, JAHWEH! bent mijn Toevlucht! De Allerhoogste16 hebt u gesteld tot17 uw Vertrek;
10U zal geen kwaad overkomen, en geen plaag zal uw tent naderen.
11d Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren18 in al uw wegen.
12e Zij zullen u op de handen dragen, opdat u uw voet aan geen steen stoot.
1319 Op def felle leeuw en de20 adder zult u treden, u zult de jonge leeuw en de draak vertreden.
14Omdat21 hij veel van Mij houdt, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want22 hij kent Mijn Naam.
15Hij23 zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.
16Ik24 zal hem met langheid van de dagen verzadigen, en Ik zal hem25 Mijn heil doen zien.