Psalmen 92

11 Een psalm, een lied,2 op de sabbatdag. 2Het is goed, dat men JAHWEH love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste! 3Dat men in de morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw3 getrouwheid4 in de nachten; 4Op het tiensnarig instrument en op de luit,5 met een voorbedacht lied op de harp. 5Want U hebt mij verblijd, JAHWEH! met Uw daden, ik zal juichen over de werken van Uw handen. 6O JAHWEH! hoe groot zijn Uw werken!6 zeer diep zijn Uw gedachten. 7Een7 onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat8 ditzelve niet; 8Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers van de ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in de eeuwigheid vernietigd worden. 99 Maar U bent de Allerhoogste in eeuwigheid JAHWEH! 10Want zie, Uw vijanden, o JAHWEH! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers van de ongerechtigheid zullen verstrooid worden. 11Maar U zult mijn10 hoorn verhogen, gelijk11 van een eenhoorn;12 ik ben met13 verse olie overgoten. 12En14 mijn oog zal mijn spionnen aanschouwen;15 mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan. 13Dea rechtvaardige zal groeien als16 een palmboom; hij zal groeienb als een cederboom op Libanon. 1417 Die in het huis van JAHWEH geplant zijn,18 die zal gegeven worden te groeien in de voorhoven van onze God. 15In19 de grijze ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, 16Om te verkondigen, dat JAHWEH recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.