Psalmen 90

11 Een gebed van2 Mozes, de man van God. JAHWEH! U bent ons geweest een3 Toevlucht4 van geslacht tot geslacht. 25 Voordat de bergen geboren waren, en U de aarde en de wereld voortgebracht had, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God. 3U doet de mens terugkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weer, u mensenkinderen! 48 Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en9 als een nachtwaak. 510 U overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap;11 in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; 6In de morgenstond bloeit het, en12 het verandert; 's avonds wordt het afgesneden, en het verdort. 7Want wij vergaan13 door Uw toorn; en door Uw woede worden wij verschrikt. 8U stelt onze ongerechtigheden voor U, onze14 geheime15 zonden in het licht van Uw aangezicht. 9Want al onze dagen16 gaan heen door Uw toorn; wij brengen onze jaren door17 als een gedachte. 10Voor wat betreft de dagen onzer jaren, daarin zijn18 zeventig jaren, of, zo wij19 zeer sterk zijn, tachtig jaren; en20 het uitnemendste van die21 is moeite en verdriet; want het wordt snel afgesneden, en wij vliegen daarheen. 1122 Wie kent de sterkte van Uw toorn, en Uw23 toorn, naardat U te vrezen bent? 12Leer ons24 zo onze dagen tellen,25 dat wij26 een wijs hart bekomen. 13Keer weer, JAHWEH!27 tot hoe lange? en28 het berouwe U29 over Uw knechten. 14Verzadig ons30 in de morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn31 in al onze dagen. 15Verblijd ons32 naar de dagen, in die U ons gedrukt hebt, naar de jaren, in die wij33 het kwaad gezien hebben. 16Laat34 Uw werk aan Uw knechten35 gezien worden, en36 Uw heerlijkheid37 over hun kinderen. 17En38 de liefelijkheid van JAHWEH, van onze God; zij over ons; en39 bevestig U het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.