Psalmen 89
11 Een onderwijzing2 van Ethan, de Ezrahiet.
2Ik zal de goedertierenheid van JAHWEH eeuwig zingen; ik zal3 Uw waarheid met mijn mond bekend maken,4 van geslacht tot geslacht.
35 Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwig gebouwd worden;6 in de hemelen zelf hebt U Uw waarheid bevestigd, zeggende:
4Ik7 heb een verbond gemaakt8 met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen:
5Ik zal9 uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en10 uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.
611a Daarom loven de12 hemelen Uw wonderen, o JAHWEH!13 ook is Uw getrouwheid in de gemeente van de14 heiligen.
7Want wie mag15 in de hemel tegen JAHWEH geschat worden? Wie is JAHWEH gelijk,16 onder de kinderen van de sterken?
8God is enorm geducht17 in de raad van de heiligen, en vreselijk boven allen,18 die rondom Hem zijn.
9O JAHWEH, God van de legermachten! wie is als U, grootmachtig,19 o JAHWEH! en20 Uw getrouwheid is rondom U.
10U heerst over21 de opgeblazenheid van de zee; wanneer haar baren zich verheffen,22 zo stilt U ze.
11U hebt23 Rahab verbrijzeld als24 een verslagene; U hebt Uw vijanden verstrooid met de arm van Uw sterkte.
12b De hemel is van U, ook is de aarde van U; de wereld en25 haar volheid, die hebt U gegrond.
13Het noorden en26 het zuiden, die hebt U geschapen;27 Thabor en28 Hermon29 juichen in Uw Naam.
14U hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand30 is hoog.
15c Gerechtigheid en31 gericht zijn de vastheid van Uw troon;d goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aangezicht heen.
16Welgelukzalig is het volk,32 dat het geklank kent; o JAHWEH!33 zij zullen in het licht van Uw aangezicht wandelen.
17Zij zullen zich de hele dag verheugen34 in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden.
18Want35 U bent de heerlijkheid van hun sterkte; en door Uw welbehagen zal onze36 hoorn verhoogd worden.
19Want37 ons schild is van JAHWEH,38 en onze koning is van de Heilige van Israël.
20Toen hebt U39 in een visioen gesproken40 van Uw heilige, en gezegd:41 Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb42 een verkorene uit het volk verhoogd.
21Ik heb David, Mijn knecht, gevonden;43 mete Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;
22met wie Mijn44 hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken.
23f De vijand zal hem niet45 dringen, en de46 zoon van de ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken.
24Maar Ik zal zijn tegenstanders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen.
25En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en47 zijn hoorn zal48 in Mijn Naam verhoogd worden.
26En Ik zal zijn hand49 in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren.
2750g Hij zal Mij noemen: U bent mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen van mijn heil!
28Ook zal Ik hem51 ten eerstgeborenen zoon stellen, ten52 hoogste over de koningen van de aarde.
29Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en53 Mijn verbond zal hem vast blijven.
30En54 Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon55 als de dagen van de hemelen.
31h Als56 zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;
32Als zij Mijn voorschriften ontheiligen, en Mijn geboden niet houden;
33Zo zal Ik hun overtreding57 met de roede58 bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen.
34Maar Mijn goedertierenheid zal Ik59 van hem niet wegnemen,60 en in Mijn getrouwheid niet falen.
35Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en wat uit Mijn lippen61 gegaan is, zal Ik niet veranderen.
36i Ik heb eens gezworen62 bij Mijn heiligheid:63 Zo Ik aan David liege!
3764 Zijn zaad zal in de eeuwigheid zijn, en zijn65 troon zal voor Mij zijn gelijk de zon.
38Hij zal eeuwig bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige66 in de hemel is getrouw. Sela.
39Maar U hebt67 hem verstoten en verworpen; U bent toornig geworden tegen68 Uw gezalfde.
40U hebt het69 verbond van Uw knecht te niet gedaan;70 U hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.
41U hebt al71 zijn muren doorgebroken; U hebt zijn vestingen72 neergeworpen.
42k Allen, die de weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn buren is hij tot een smaad geweest.
4373 U hebt de rechterhand zijn tegenstanders verhoogd; U hebt al zijn vijanden verblijd.
44U hebt ook de scherpte van74 zijn zwaard omgekeerd,75 en hebt hem niet staande gehouden in de strijd.
4576 U hebt77 zijn schoonheid doen ophouden; en U hebt78 zijn troon ter aarde neergestoten.
46U hebt de dagen79 van zijn jeugd verkort; U hebt hem met schaamte overdekt. Sela.
4780 Hoe lang, o JAHWEH! zult U Zich steeds verbergen8182, zal Uw woede branden als een vuur?
48Gedenk83 van welke84 eeuw ik ben; waarom zou U alle mensenkinderen85 tevergeefs geschapen hebben?
49Wat man leeft er, die86 de dood niet zien zal,87 diel zijn ziel zal bevrijden88 van het geweld van het graf? Sela.
50JAHWEH! waar zijn Uw vorige goedertierenheden,m die U David gezworen hebt bij Uw trouw?
51Gedenk, JAHWEH!89 aan de smaad van Uw knechten, die ik in mijn boezem draag,90 van alle grote volken.
52Waarmee, o JAHWEH! Uw vijanden smaden, waarmee zij91 de voetstappen van Uw gezalfde smaden.
5392 Geloofd zij JAHWEH in eeuwigheid!93 Amen, ja, amen.