Psalmen 88
11 Een2 lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor de opperzangmeester, op3 Machalath Leannoth;4 een onderwijzing5 van Heman, de Ezrahiet.
2O JAHWEH,6 God van mijn heil!7 bij dag, bij nacht roep ik voor U.
3Laat mijn gebed8 voor Uw aangezicht komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.
4Want mijn ziel is9 van de tegenheden zat, en10 mijn leven raakt tot aan het11 graf.
5Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil neerdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;
612 Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die U niet meer13 gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.
7U hebt mij14 in de onderste kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.
8Uw woede15 ligt op mij; U hebt mij16 neergedrukt met al Uw baren. Sela.
9Mijn bekenden hebt U verre van mij gedaan, U hebt mij hun17 tot een grote gruwel gesteld;18 ik ben besloten, en kan niet uitkomen.
10Mijn oog treurt vanwege verdrukking; JAHWEH! ik roep tot U19 de hele dag; ik strek20 mijn handen uit tot U.
1121 Zult U wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen22 opstaan, zullen zij U loven? Sela.
12Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid23 in het verderf?
1324 Zullen Uw wonderen bekend worden25 in de duisternis, en Uw gerechtigheid in26 het land van de vergetelheid?
14Maar ik, JAHWEH! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in de morgenstond.
15JAHWEH! waarom27 verstoot U mijn ziel, en verbergt Uw aangezicht voor mij?
1628 van de jeugd aan ben ik bedrukt en29 doodbrakende; ik draag30 Uw angsten,31 ik ben twijfelmoedig.
1732 Uw hittige toornvlagen gaan over mij;33 Uw verschrikkingen34 doen mij vergaan.
18De hele dag35 omringen zij mij als water; samen omgeven zij mij.
19U hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden36 zijn in duisternis.