Psalmen 58

11 Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Al-tascheth. 2Spreekt u werkelijk gerechtigheid, u,2 vergadering? Oordeelt u3 billijkheden,4 u, mensenkinderen? 3Ja,5 u werkt ongerechtigheden6 in het hart; u weegt het geweld van uw handen op de aarde. 4De goddelozen zijn7 vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers8 dolen van9 moeders buik aan. 5Zij hebbena vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt; 610 Opdat zij niet hore naar de stem van11 de belezers, van degene, die12 ervaren is met13 bezweringen om te gaan. 7O God! verbreek hun14 tanden in hun mond;15 breek af de baktanden van de jonge leeuwen, o JAHWEH! 8Laat16 hen smelten als water, laat hen daarheen drijven;17 legt18 hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij19 afgesneden waren. 9Laat hem heengaan, als een20 smeltende slak;21 laat hen, als de miskraam van een22 vrouw, de zon niet aanschouwen. 10Voordat uw23 potten de24 doornstruik25 gewaar worden, zal26 Hij hem als27 levend, als in hete toorn wegstormen. 11De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de28 wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten29 groeien in het bloed van de goddelozen. 12En de mens zal zeggen: Immers is30 er vrucht voor de rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde31 richt.