Psalmen 59

11 Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Al-tascheth;a toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te2 doden. 2Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een3 vesting voor degenen, die tegen mij opstaan. 3Red mij van de werkers van de ongerechtigheid, en verlos mij van de4 mannen van het bloed. 4Want zie, zij leggen voor mijn5 ziel hinderlagen; sterken rotten zich tegen mij;6 zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o JAHWEH! 5Zij lopen en7 bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op8 mij tegemoet, en9 zie. 6Ja, U JAHWEH, God van10 de legermachten, God van Israël! ontwaak, om al deze11 heidenen te12 bezoeken; wees13 niemand van hen genadig, die trouweloos ongerechtigheid bedrijven.14 Sela. 7Tegen de avond15 keren zij weer, zij tieren als een16 hond, en zij gaan rondom de stad. 8Zie, zij17 storten overvloedig uit met hun mond;b zwaarden zijn op hun lippen;c want18 wie hoort het? 9Maar U, JAHWEH!d zult19 hen belachen; U zult alle20 heidenen bespotten. 1021 Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Vesting. 11De God22 van mijn goedertierenheid zal mij23 voorkomen; God zal mij24 op mijn spionnen doen zien. 12Dood25 hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe26 hen omzwerven door Uw macht, en27 werp hen neer, o Heere, ons Schild! 1328 Om de zonde van hun mond, om het woord van hun lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om de vloek, en om de leugen, die29 zij vertellen. 1430 Verteer hen in woede; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat31 hen weten, dat God Heerser is in32 Jakob, ja, tot aan de einden van de aarde. Sela. 1533 Laat hen dan tegen de avond terugkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan; 16Laat hen34 zelfs35 omzwerven om voedsel; en laat36 hen overnachten, al zijn zij niet verzadigd. 17Maar ik zal37 Uw sterkte zingen, en 's morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat U mij een Vesting bent geweest, en een Toevlucht op de dag als ik bang was. 1838 Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Vesting, de God39 van mijn goedertierenheid.