Psalmen 57
11 Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester,2 Al-tascheth;a als hij voor Sauls aangezicht vluchtte in de grot.
2Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel3 betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw4 van Uw vleugelen, totdat de5 verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.
3Ik zal roepen tot God, de Allerhoogste, tot God, Die het aan6 mij voltooien zal.
4Hij zal van de hemel7 zenden, en mij verlossen,8 te schande makende dengene, die mij9 zoekt op te slokken.10 Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn11 waarheid zenden.
5Mijn12 ziel is in het midden van de leeuwen, ik lig13 onder opruiers, mensenkinderen, wier tanden spiesen en pijlen zijn14, en hun tong een15 scherp zwaard.
616b Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de hele aarde.
7Zij hebben een net bereid voor mijn gangen,17 mijn ziel was neergebukt;c zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela.
8d Mijn hart is18 bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.
9Waak op, mijn19 eer! waak op, u, luit en harp! ik zal in de dageraad opwaken.
10e Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natiën.
11f Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
1220 Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de hele aarde.