Psalmen 56

11 Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, op2 Jonath Elem Rechokim;a als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. 2Wees mij genadig, o God! want de3 mens4 zoekt mij op te slokken; de hele dag5 dringt mij de bestrijder. 36 Mijn spionnen zoeken mij de hele dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders,7 o Allerhoogste! 4Op de dag als ik8 zal vrezen, zal ik op U vertrouwen. 5In God zal ik Zijn9 woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij10 vlees doen? 6De hele dag11 verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade. 7Zij spannen samen, zij12 versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn13 ziel wachten. 814 Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de15 volken neer in toorn, o God! 9U hebt mijn16 omzwerven geteld; leg mijn17 tranen in uw18 fles; zijn zij niet in Uw19 register? 10Dan zullen mijn vijanden achteruit keren, op de dag als ik20 roepen zal; dit weet ik, dat God21 met mij is. 11In God zal ik het22 woord prijzen; in JAHWEH zal ik het woord prijzen. 12Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen;b wat zou mij23 de mens doen? 13O God!24 op mij zijn Uw geloften; ik zal U25 dankzeggingen vergelden; 14Want U hebt mijn ziel gered van de dood;26 ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor27 Gods aangezicht te wandelen in het28 licht van de levenden?