Psalmen 55

11 Een onderwijzing van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. 2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking. 3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf luid weeklagen in mijn2 klacht, en maak3 getier; 4Om de4 roep van de vijand,5 vanwege de verdrukking van de goddelozen; want zij schuiven6 ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij. 5Mijn hart7 smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen van8 de dood zijn op mij gevallen. 6Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij; 7Zodat ik zeg:9 Och, dat mij iemand10 vleugelen, als van een11 duif zou geven! ik zou wegvliegen,12 waar ik blijven mocht. 8Ziet, ik13 zou ver wegzwerven, ik zou14 overnachten in de woestijn.15 Sela. 916 Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van de17 drijvende wind, van de storm. 10Verslind hen, JAHWEH! deel18 hun tong; want ik zie19 wrevel en twist in de20 stad. 11Dag en nacht21 omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar. 1222 Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat. 13Want het is geen23 vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij24 groot maakt, anders zou ik mij voor hem25 verborgen hebben. 14Maar u bent het, o mens, als van mijn2627 waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende! 15Wij, die samen28 in zoetigheid in het geheim raadpleegden; wij wandelden29 in gezelschap in het huis van God. 1630 Dat hun de31 dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter dodenrijk neerdalen; want boosheden zijn in hun32 woning, in het binnenste van hen. 17Wat mij betreft, ik zal tot God roepen, en JAHWEH zal mij verlossen. 1833 's Avonds, en 's morgens, en 's middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen. 19Hij heeft mijn34 ziel in vrede verlost van de strijd35 tegen mij; want36 met menigte zijn zij tegen mij geweest. 20God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds37 zit,38 Sela; omdat bij hen39 geheel geen verandering is, en zij God niet vrezen. 2140 Hij41 slaat zijn handen aan degenen, die42 vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn43 verbond. 22Zijn44 mond is gladder45 dan boter, maar zijn hart is46 strijd; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelfde zijn47 blote zwaarden. 2348 Werp49 uw zorg op JAHWEH, en Hij zal u50 onderhouden;51 Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige zou wankelen. 24Maar U, o God! zult52 die doen neerdalen in de put van het verderf; de53 mannen van het bloed en bedrogs zullen hun dagen niet tot op de54 helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.