Psalmen 136
11 Loof JAHWEH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid2 is in de eeuwigheid;
2Loof3 de God van de goden; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
3Loof4 de Heere van de heren; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
4Die, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
5Die,a die de hemelen5 met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
6b Die, Die6 de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
7Die,c Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
8d De zon tot heerschappij7 op de dag; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
9De maan en sterren tot heerschappij in de nacht; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
10e Die, Die8 de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
11En heeft9 Israëlf uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
1210 Met een sterke hand, eng met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
13Die,h Die11 de Schelfzee12 in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
14En voerde Israël door het midden daarvan; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
15i Hij heeft Farao met zijn leger13 gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
16k Die14 Zijn volk15 door de woestijn geleid heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
17l Die16 grote koningen geslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
18En heeft17 heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
19Sihon, de Amorietischen koning; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
20m En Og, de koning18 van Basan; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
21En heeft19 hun landn als erfenis gegeven; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
22Als erfenis20 aan Zijn knecht Israël; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
23Die aan ons21 gedacht heeft22 in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
24En Hij heeft ons onze tegenstanders23 ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
25Die aan24 alle vlees25 voedsel geeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
26Loof de God26 van de hemel; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.