Psalmen 135
11 Hallelujah! Prijs de Naam van JAHWEH, prijs Hem, u knechten van JAHWEH!
2U, die staat23 in het huis van JAHWEH,4 in de voorhoven van het huis van onze God!
3Loof JAHWEH, want JAHWEH is goed; psalmzingt Zijn Naam, want5 Hij is liefelijk.
4Want JAHWEH heeft Zich6 Jakob gekozen,7 Israëla tot Zijn eigendom.
5Want ik weet, dat JAHWEH groot is, en dat onze Heere8 boven alle9 goden is.
6Al wat JAHWEH behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden.
7Hijb doet dampen opklimmen10 van het einde van de aarde;11 Hij maakt de bliksemen12 met de regen; Hij brengt de wind13 uit Zijn schatkameren voort.
8c Die de14 eerstgeborenen van Egypte sloeg,15 van de mens af tot het vee toe.
9d Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Farao en tegen al zijn knechten.
10Die16 veele volken sloeg, en machtige koningen doodde;
11Sihon, de koning van de Amorieten, en17 Og, de koning van Basan, en18 al de koninkrijken van Kanaän,
12Enf Hij gaf hun land als erfenis, als erfenis aan Zijn volk Israël.
13O JAHWEH! Uw Naam19 is in eeuwigheid; JAHWEH!20g Uw herinnering is van geslacht tot geslacht.
14h Want21 JAHWEH zal Zijn volk22 richten, en23 het zal Hem berouwen over Zijn knechten.
15i De24 afgoden van de25 heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.
16Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
17Oren hebben zij, maar horen niet;26 ook is er geen adem in hun mond.
18Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.
1927 U huis van Israël! looft JAHWEH;28 u huis van Aäron! looft JAHWEH.
20U huis van Levi! looft JAHWEH; u die JAHWEH vreest! looft JAHWEH.
21Geloofd zij JAHWEH uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!