Psalmen 137
11 Aan de2 rivieren van3 Babel,4 daar zaten wij, ook huilden wij, als wij gedachten5 aan Sion.
2Wij hebben onze harpen6 gehangen7 aan de wilgen,8 die daarin zijn.
3Als zij, die ons daar gevangen hielden, de woorden van een lied van ons begeerden, en zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zingt ons één van de liederen Sions;
415 Wij zeiden: Hoe zouden wij16 een lied van JAHWEH zingen17 in een vreemd land?
518 Als ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelf!
619 Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke,20 zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste van mijn blijdschap!
7JAHWEH!21b gedenk aan de kinderen van Edom,22 aan de dag van Jeruzalem; die daar23 zeiden:24 Ontbloot ze, ontbloot25 ze, tot haar fundament toe!
826 O dochter van27 Babel! die verwoest zult worden,28c welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die u aan ons29 misdaan hebt.
9Welgelukzalig zal hij zijn,30 die uw kinderen grijpen, en aan de steenrots31 verpletteren zal.