Joël 2

11 Blaast de bazuin te Sion, en2 roept luide op de berg3 Van mijn heiligheid; laat alle inwoners van het4 land beroerd zijn, wanta de5 dag van JAHWEH komt, want hij is nabij. 2Een dag van6 duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de7 dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig8 volk, evenzo van9 ouds niet geweest is, en na10 hetzelfde11 niet meer zal zijn tot in jaren van12 vele geslachten. 3Voor hetzelfde verteert een13 vuur, en achter hetzelfde brandt een vlam; het land is14 voor hetzelfde als een15 lusthof, maar achter hetzelfde een16 woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen17 van hetzelfde. 4De18 gedaante dezelfde is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen. 5Zij zullen daarheen springen als een gedruis van19 wagens, op de20 hoogten van de bergen; als het gedruis van een vuurvlam, die stoppelen21 verteert; als een machtig volk, dat in22 slagorde gesteld is. 6Van daarvan aangezicht zullen de volken23 in pijn zijn; alle aangezichten zullen24 betrekken als een pot. 7Als helden zullen zij lopen, als soldaten zullen zij de25 muren beklimmen; en zij zullen daarheen trekken, ieder in zijn26 wegen, en zullen hun paden niet27 verdraaien. 8Ook zullen28 zij de één de ander niet dringen; zij zullen daarheen trekken29 elk in zijn baan; en al vielen zij op een30 geweer, zij zouden niet verwond worden. 9Zij zullen in de stad31 omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensteren inkomen als een dief. 1032 Deb aarde is beroerd voor33 daarvan aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden34 zwart, en de sterren35 trekken haar glans in. 11En JAHWEH verheft Zijn36 stem voor Zijn leger heen; want Zijn leger is zeer groot, want37 Hij is machtig, doende Zijn38 woord; wantc de39 dag van JAHWEH is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen? 12Nu dan ook, spreekt JAHWEH,d bekeert u40 tot Mij met uw hele hart,41 en dat met vasten en met geween, en met klaagzang. 13En42 scheurt uw hart en43 niet uw kleren, en bekeert u tot JAHWEH, uw God; want Hij ise genadig en barmhartig,44 geduldig en45 groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het46 kwade. 1447f Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een48 zegen achter49 Zich overlaten50 tot voedseloffer en drankoffer voor JAHWEH, uw God. 1551 Blaast de bazuin te Sion,52g heiligt een vasten, roept een53 verbodsdag uit. 16Verzamelt het volk,54 heiligt de gemeente, verzamelt de55 oudsten, verzamelt de56 kinderen, en die de borsten zuigen; de57 bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar58 slaapkamer. 17Laat de priesters, het dienaren van JAHWEH, huilen tussen het59 voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o JAHWEH! en geef60 Uw erfenis niet over tot een smaad, dat de heidenen over hen zouden61 heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen:h Waar is hun God? 18Zo62 zal JAHWEH63 ijveren over64 Zijn land, en Hij zal Zijn volk sparen. 19En JAHWEH zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Ziet, Ik65 zend u het koren, en de most, en de olie, dat u66 daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u67 niet meer overgeven tot68 een smaad onder de heidenen. 20En Ik zal69 die van het noorden verre van u doen vertrekken, en hem wegdrijven in een70 dor en woest land, zijn71 aangezicht naar de72 Oostzee, en zijn73 einde naar de74 achterste zee; en75 zijn stank zal opgaan, en zijn76 vuiligheid zal opgaan; want77 hij heeft grote dingen gedaan. 21Vrees niet,78 o land! verheug u, en wees blij; want JAHWEH79 heeft grote dingen gedaan. 22Vreest niet, u80 beesten van het veld! want de weiden van de81 woestijn zullen weer jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de82 wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven. 23En u, kinderen van Sion! verheugt u en bent blij in JAHWEH, uw God; want Hij83 zal u geven die Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u de regen doen neerdalen, de vroege regen en de spade regen in de84 eerste maand. 24En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen. 25Zo zal Ik u de85 jaren86 vergelden, die dei sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten;87 Mijn groot leger, dat Ik onder u gezonden heb. 26En u zult88 overvloedig en tot verzadiging eten, en prijzen de Naam van JAHWEH, uw God,89 Die90 wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk91 zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid. 27En u zult92 weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik JAHWEH,93 uw God, ben, en niemand meer; en Mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid. 28En94 daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn95k Geest zal uitgieten over97 alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen98 profeteren; uw oude zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien; 29Ja, ook over de dienaren, en over de dienaressen, zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten. 30En Ik zal99 wondertekenen geven100 in de hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren. 31l De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat die grote en vreselijke dag van JAHWEH komt. 32En het zal gebeuren,102 alm wie de103 Naam van JAHWEH zal aanroepen, zal104 behouden worden; want op den berg105 van Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals JAHWEH106 gezegd heeft;107 en dat, bij de108 overgeblevenen, die JAHWEH zal109 roepen.