Joël 1
Boekinleiding
lees meer ▾
IN deze prophetye wordt voor eerst het volk van Iuda opgewekt tot betrachting van de jammerlijken stants daarin’t gehele Land was, vermits de schriklijke plage van allerlei ongedierte en droochte: en ...
IN deze prophetye wordt voor eerst het volk van Iuda opgewekt tot betrachting van de jammerlijken stants daarin’t gehele Land was, vermits de schriklijke plage van allerlei ongedierte en droochte: en verder vermaand tot ware bekering, vasten en bidden: met belofte van genade, wechneming van de Land-straf, en toesending eenes rijken segens, indien zij de raat van de Profeten achtervolchden: daarna profeetert de Geest van de Heeren verder, bij deze occasie, van de gesegenden staat van de Kerk onder de Messia, van de uitsending van de H. Geest, en behoudenis van de Kerk in de laatste droevige tijden, en ook van Gods oordeel over alle goddeloze vijanden, en de eeuwige geluksaligheid zijn Kerk.
1Het woord van JAHWEH, dat geschied is tot Joël, de zoon van Pethuël:
2Hoort dit, u1 oudsten! en neemt ter oren, alle inwoners van het land! Is2 dit geschied in uw dagen, of ook in de dagen van uw3 vaderen?
34 Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en van die kinderen aan een5 ander geslacht.
4Wat de6 rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.
5Waakt op, u dronkenen! en weent, en huilt, alle u wijnzuipers! om de nieuwe wijn, omdat7 hij van uw mond is afgesneden.
6Want een8 volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn9 tanden zijn leeuwentanden, en het heeft de baktanden van een oude leeuw.
710 Het heeft11 mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot12 schuim; het heeft hem geheel ontbloot en neergeworpen, zijn ranken zijn13 wit geworden.
814 Kermt, als een jonkvrouw, die met een15 zak omgord is vanwege de16 man van haar jeugd.
917 Spijsoffer en drankoffer is van het huis van JAHWEH afgesneden; de priesters, het dienaren van JAHWEH,18 treuren.
10Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is19 verdroogd, de olie is20 flauw.
1121 De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de22 tarwe en om de gerst, want de oogst van het veld is vergaan.
12De wijnstok is23 verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen van het veld zijn verdord; ja de24 vrolijkheid is25 verdord van de mensenkinderen.
1326 Omgordt u, en rouwklaagt, u priesters! huilt, u dienaren van het altaar! gaat in, overnacht in zakken, u dienaren van mijn God! want27 spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis van uw God.
1428a Heiligt een vasten, roept een29 verbodsdag uit, verzamelt de30 oudsten, en alle inwoners van deze lands, in het huis van JAHWEH, van uw God, en roept tot JAHWEH.
1531 Ach, die dag! wantb de32 dag van JAHWEH is33 nabij, en zal als een verwoesting komen van de34 Almachtige.
16Is niet de voedsel voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het35 huis van onze God?
17De36 granen zijn onder hun kluiten verrot, de37 schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.
18O, hoe zucht het38 vee,39 de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de40 schaapskudden verwoest.
19Tot U, o JAHWEH! roep ik; want een41 vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld aangestoken.
20Ook42 schreeuwt43 elk beest van het veld tot U; want de waterstromen44 zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd.