Job 29

11 En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zei: 22 Och, of ik was, gelijk in de vorige maanden, gelijk3 in de dagen, toen God mij bewaarde! 3Toen Hij4 Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en5 ik bij Zijn licht6 de duisternis doorwandelde; 4Gelijk als ik was in de dagen van mijn7 jeugd, toen Gods8 geheim over mijn tent was; 5Toen de Almachtige nog9 met mij was, en10 mijn jongens rondom mij; 6Toen ik mijn gangen11 wies in boter, en de rots bij mij12 oliebeken uitgoot; 7Toen ik uitging naar de13 poort door de stad, toen ik14 mijn stoel op de15 straat liet bereiden. 8De jongens zagen mij, en16 verstaken zich, en de stokouden17 rezen op en stonden. 9De oversten18 hielden de woorden in, en19 leiden de hand op hun mond. 10De stem van de vorsten verstak zich, en20 hun tong kleefde aan hun gehemelte. 11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde21 het van mij. 12a Want ik bevrijdde de ellendige, die riep, en de wees, die geen helper had. 1322 De zegen van degene, die23 verloren ging, kwam op mij; en het hart van de weduwe deed ik24 vrolijk zingen. 1425b Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en26 zij bekleedde mij; mijn27 oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed. 1528 De blinden was ik tot ogen, en de kreupelen was ik tot voeten. 16Ik was de armen een vader; en het geschil, dat ik niet wist,29 dat onderzocht ik. 17En ik verbrak30 de baktanden van de verkeerden, en wierp de roof uit zijn tanden. 18En ik zei: Ik zal in mijn nest de geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand. 19Mijn34 wortel was35 uitgebreid aan het water, en dauw overnachtte op mijn tak. 20Mijn36 heerlijkheid37 was nieuw bij mij, en38 mijn boog veranderde zich in mijn hand. 21Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad. 22Na mijn woord39 spraken zij niet weer, en40 mijn rede drupte op hen. 23Want zij wachtten naar mij, gelijk41 naar de regen, en sperden hun mond open, als naar de42 spade regen. 2443 Lachte ik hun toe, zij geloofden44 het niet; en45 het licht van mijn aangezicht deden zij niet neervallen. 2546 Verkoos ik hun weg, zo zat47 ik bovenaan, en woonde48 als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost.