Job 28

11 Zeker, er is voor het zilver een2 uitgang, en een plaats voor het goud,3 dat zij smelten. 2Het ijzer wordt uit4 stof genomen, en5 uit steen wordt koper gegoten. 36 Het einde,7 dat God gesteld heeft voor de8 duisternis, en9 al het uiterste onderzoekt10 hij; het gesteente van11 de donkerheid en van de schaduw van de dood. 412 Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont,1314 de wateren vergeten zijnde van de voet, worden van de mens uitgeput, en gaan weg. 5Uit de aarde komt15 het brood voort, en onder zich16 wordt zij veranderd, alsof zij vuur was. 617 Haar stenen18 zijn de plaats van de saffier, en19 zij heeft20 stofjes van goud. 7De21 roofvogel heeft het22 pad niet gekend, en het oog van de kraai23 heeft het niet gezien. 8De24 jonge hoogmoedige dieren hebben25 het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan. 926 Hij legt zijn hand aan de27 keiachtige rots,28 hij keert de bergen van de wortel om. 10In de29 rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al30 het kostelijke. 11Hij bindt de31 rivieren toe, dat niet één32 traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht. 1233 Maar de wijsheid, vanwaar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats van de verstand? 13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het34 land van de levenden. 14De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij. 15b Het37 gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen. 16Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van38 Ofir, tegen de kostelijke39 Schoham, en de40 Saffier. 17Men kan het goud of het41 kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een42 kleinood van43 dicht goud. 1844 De Ramoth en45 Gabisch zal46 niet gedacht worden; want de trek van de wijsheid is meerder dan van47 de Robijnen. 19Men kan de48 Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden. 20c Die wijsheid dan, vanwaar komt zij, en waar is de plaats van de verstand? 21Want zij is verborgen voor de ogen alle levenden, en49 voor het gevogelte van de hemel is zij verborgen. 2250d Het verderf en de dood zeggen:51 Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord. 2352 God verstaat haar53 weg, en Hij weet54 haar plaats. 24Want Hij schouwt55 tot aan de einden van de aarde, Hij ziet onder al de hemelen. 2556 Als Hij57 de wind het gewicht maakte, ene de wateren opwoog in mate; 26Als Hij de regen een vastgestelde58 orde maakte, en59 een weg voor het weerlicht60 van de donderen; 27Toen61 zag Hij62 haar, en63 vertelde ze;64 Hij stelde op ze, en ook65 doorzocht Hij ze. 28Maar tot de mens heeft Hij gezegd: Zie,66f de vrees voor JAHWEH is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.