Jesaja 63
11 Wie is Deze, Die2 van Edom komt3 met besprenkelde kleren, van4 Bozra? Deze, Die5 versierd is in Zijn gewaad? Die6 voorttrekt7 in Zijn grote kracht?8 Ik ben het,9 Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen.
211 Waarom bent Ua rood aan Uw gewaad, en Uw kleren als van12 een, die in de wijnpers treedt?
313 Ik heb14 de pers alleen getreden, en15 er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn woede; en16 hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.
4Want17b de dag van de wraak was in Mijn hart, en18 het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
519c En Ik zag toe, en er was niemand die hielp;20 en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde;21 daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en22 Mijn woede heeft Mij ondersteund,
6En23 Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en24 Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn woede; en Ik heb25 hun kracht ter aarde doen neerdalen.
726 Ik zal de goedertierenheden van JAHWEH vermelden,27 de veelvoudigen lof van JAHWEH,28 naar alles, wat JAHWEH ons heeft bewezen, en de grote goedigheid aan het huis van Israël, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid van Zijn goedertierenheden.
8Want Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen, die niet liegen zullen? Zo is Hij hun geworden tot een Heiland.
932 In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en33 de Engel van Zijn aangezicht heeft hen behouden;34d door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en35 Hij nam hen op, en Hij droeg36 hen al de dagen van ouds.
1037e Maar zij zijn opstandig geworden, en zij hebben38 Zijn Heilige Geest39 smarten aangedaan;40 daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.
11Toch dacht Hij41 aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar42 nu, waar is Hij, Die43 hen uit de zee opgebracht heeft,44 met de herders45 van Zijn kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heilige Geest in het midden46 van hen stelde?
1247 Die de arm van Zijn heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; Die48 de wateren voor hun aangezichten kloof opdat Hij Zich een eeuwige Naam maakte?
13Die49 hen50 leidde door de afgronden; als een paard in de woestijn,51f struikelden zij niet.
1452 Gelijk53 een beest, dat afgaat in de valleien,54 heeft hun de Geest van JAHWEH55 rust gegeven. Zo hebt56 U Uw volk geleid, opdat U Zich een heerlijke Naam zou maken.
15g Zie van de hemel af, en aanschouw57 van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn58 Uw ijver en59 Uw mogendheden,60 het gerommel61 van Uw binnenste en van Uw barmhartigheden?62 Zij houden zich tegen mij in.
1663 U bent toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; U, o JAHWEH! bent onze Vader,64 onze Verlosser van ouds af is Uw Naam.
17JAHWEH! waarom65 doet U ons van Uw wegen dwalen,66 waarom verstokt U ons hart,67 dat wij U niet vrezen?68 Keer weer69 omwille van Uw knechten,70 de stammen71 van Uw erfdeel.
18Uw heilig volk heeft72 het maar een korte tijd bezeten;74 onze tegenstanders hebben75h Uw heiligdom vertreden.
1976 Wij zijn77 geworden als die, over welke U van ouds niet hebt geheerst, en78 die naar Uw Naam niet zijn genoemd.