Jesaja 64

11 Och, dat U de hemelen2 scheurde, dat U neerkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht3 vervloten; 2Gelijk4 een smeltvuur brandt, en het vuur de wateren doet opbobbelen, om5 Uw Naam6 aan Uw tegenstanders bekend te maken! Laat zo de heidenen voor Uw aangezicht beven. 37 Toen U vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten;8 U kwaamt neer, van Uw aangezicht vervloten de bergen. 49 Ja, van ouds heeft men heta niet gehoord, noch met oren vernomen,10 en geen oog heeft het gezien, behalve U, o God!11 wat Hij doen zal die,12 die op Hem wacht. 513U ontmoet14 de vrolijke, en die gerechtigheid doet15 van hen, die aan U gedenken op Uw wegen; zie,16 U was toornig, omdat wij gezondigd hebben; daarin17 is de eeuwigheid, opdat wij behouden werden. 6Maar wij allen zijn als een onreine, en19 al onze gerechtigheden zijn20 als een wegwerpelijk kleed; en21b wij allen vallen af22 als een blad, en onze23 misdaden voeren ons heen weg als een wind. 7En er is24 niemand, die Uw Naam25 aanroept, die zich opwekt,26 dat hij U aangrijpe; want U27 verbergt Uw aangezicht voor ons, en U doet ons smelten,28 door middel van onze ongerechtigheden. 8Maar nu, JAHWEH!29 U bent onze Vader; wij zijn leem, en U bent onze30 pottenbakker, en wij allen zijn het werk van Uw handen. 9JAHWEH! wees niet zo zeer toornig, en gedenkc niet eeuwig van de ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk. 1031 Uw heilige steden zijn een woestijn geworden, Sion is een woestijn geworden,32 Jeruzalem een verwoesting. 1133 Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden,34 is met vuur verbrand; en al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden. 12JAHWEH! zou U Zich over deze dingen3536 inhouden, zou U stilzwijgen, en ons zozeer37 bedrukken?