Jesaja 26

11 Te die dage zal dit lied gezongen worden2 in het land van Juda;a Wij hebben3 een sterke stad,45 God stelt heil tot muren en6 voorschansen. 27 Doet de poorten open, dat8 het rechtvaardige volk daarin ga, dat9 de getrouwigheden bewaart. 3Het is een bevestigd10 voornemen,11 U zult12 allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd. 4Vertrouwt op JAHWEH tot in de eeuwigheid; want in de Adonai JAHWEH14 is een eeuwige rotssteen. 5Want Hij buigt de hooggezetenen neer,16 de verheven stad;17 Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken. 6De voet zal ze vertreden, de voeten19 van de ellendigen, de treden van de armen. 7Het pad van de rechtvaardigen is geheel effen, de gang van de rechtvaardigen weegt21 U recht. 8Wij hebben ook in de weg van Uw gerichten, U, o JAHWEH! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw herinnering is de begeerte van onze ziel. 9Met mijn ziel heb24 ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is,25 U vroeg zoeken; want wanneer26 Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners van de wereld gerechtigheid. 10Wordt de goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een geheel richtig28 land, en hij ziet de hoogheid van JAHWEH niet aan. 11JAHWEH! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet;30 maar zij zullen het zien, en beschaamd31 worden,32 vanwege de ijver over Uw volk,33 ook zal het vuur Uw tegenstanders verteren. 12JAHWEH! U zult ons vrede bestellen, want U hebt35 ons ook36 al onze zaken uitgericht. 13JAHWEH, onze God! andere heren, behalve U, hebben over ons geheerst;38 maar door U alleen gedenken wij39 van Uw Naam. 14Dood zijnde zullen zij niet weer leven,41 overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt U hen bezocht, en hebt4243 hen44 vernietigd, en U hebt al hun herinnering doen vergaan. 15U, o JAHWEH! had46 dit volk vermeerderd,47 U had dit volk vermeerderd; U was48 verheerlijkt geworden; maar U hebt hen in al de einden van de49 aarde verre weggedaan. 16JAHWEH! in benauwdheid hebben zij51 U bezocht; zij hebben52 hun stil gebed53 uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was. 17b Gelijk een zwangere vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeën, zo zijn wij geweest, o55 JAHWEH! vanwege Uw aangezicht. 18Wij waren zwanger,57 wij hadden de smarten,58 maar wij hebben niet dan wind59 gebaard; wij deden60 het land geen61 behoudenis aan, en62 de inwoners van de63 wereld vielen niet neer. 19Uw doden zullen65 leven,66 ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waak op en juich,67 u, die in het stof woont! want68 uw dauw zal zijn69 als een dauw van de moeskruiden, en70 het land zal de overledenen uitwerpen. 20Ga heen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren72 na u toe; verberg uc als een klein ogenblik, totdat de toorn overga. 21Want zie, JAHWEH zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners van de aarde74 over hen te bezoeken; en de aarde zal75 haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden.