Jesaja 17
11 De last van Damascus.2 Zie, Damascus3 zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal4 een vervallen steenhoop zijn.
25 De steden van Aroër zullen verlaten worden; voor6 de kudden zullen zij wezen, die zullen daar neerliggen, en7 niemand zal ze verschrikken.
3En8 de vesting zal ophouden9 van Efraïm, en het koninkrijk van Damascus, en het overblijfsel10 van de11 Syriërs; zij zullen zijn gelijk12 de heerlijkheid van de kinderen van Israël, spreekt JAHWEH van de legermachten.
4En het zal gebeuren op die dag, dat13 de heerlijkheid van14 Jakob verdund zal worden, en dat de vettigheid van zijn vlees mager worden zal.
5Want15 hij zal zijn, gelijk wanneer een16 maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest17 in het dal Refraim.
618 Maar19 een nalezing zal daarin overig blijven,20 gelijk in de afschudding van een olijfboom, twee of drie bezien in de top van de opperste twijg, en vier of vijf21 aan zijn vruchtbare takken, spreekt JAHWEH, de God van Israël.
722 Te die dage zal23 de mens24 zien naar Die, Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen op25 de Heilige van Israël zien.
8En26 hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk van zijn handen,27 ook wat zijn vingeren gemaakt hebben, zal hij niet aanzien, noch de bossen, noch28 de zonnebeelden.
929 Te die dage zullen30 zijn31 sterke steden zijn, als32 een verlaten struik, en33 opperste tak,34 die zij verlaten hebben,35 vanwege de kinderen van Israël, hoewel daar verwoesting36 zal wezen.
10Want37 u hebt38 de God van uw heil vergeten, en niet gedacht39 aan de Rotssteen van uw sterkte; daarom40 zult u wel liefelijke planten planten, en u zult41 hem met uitlandse ranken42 bezetten;
11Op de dag als u ze zult geplant hebben,43 zult u die doen groeien, en44 in de morgenstond zult u uw zaad doen bloeien;45 maar het zal maar één hoop van het gemaaide zijn,46 in de dag van de ziekte en van de pijnlijke smart.
1247 Wee48 van de49 veelheid van de grote volken, die daar bruisen, gelijk de zeeën bruisen; en wee het geruis van de natiën, die daar ruisen, gelijk de geweldige wateren ruisen!
13De natiën zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; maar50 Hij zal51 hem52 schelden, zo zal53 hij54 verre wegvlieden, ja, hij zal55 gejaagd worden,a als56 het kaf van de bergen van de wind, en gelijk57 een kloot van de wervelwind.
1458 Ten tijde 's avonds, ziet,59 zo is er verschrikking, voordat het morgen is, is60 hij er niet meer.61 Dit is62 het deel van degenen, die ons63 beroven, en het lot van degenen, die ons plunderen.