Jesaja 16
11 Zend2 de lammeren van3 de heerser van het land van4 Sela af,5 naar de woestijn heen,6 tot de berg van de dochter van Sion.
27 Anders zal het gebeuren, dat8 de dochters van Moab aan de veren van9 Arnon zullen zijn,10 als een zwervende vogel, uit het nest gedreven zijnde.
311 Brengt een raad aan,12 houd gericht,13 maakt uw schaduw op het midden van de middag, gelijk van de nacht;14 verberg15 de verdrevenen,16 en meld17 de omzwervende niet.
418 Laat19 mijn verdrevenen20 onder u verkeren, o Moab!21 wees u hun een schuilplaats voor het aangezicht22 van de verstoorders; want de onderdrukker23 heeft een einde, de verstoring is te niet geworden,24 de vertreders25 zijn van de aarde verdaan.
5Want er zal26 een troon27 bevestigd worden28 in goedertierenheid, en daarop zal29 bestendig één zitten30 in de tent van David, één, die oordeelt en het recht zoekt, en31 voortvarend is in gerechtigheid.
632 Wij hebben gehoord de hoogmoed33 van Moab, hij is zeer hoogmoedig; zijn hoogmoed,34 en zijn hoogmoed, en zijn toorn, zijn zo zijn grendelen niet.
735 Daarom zal36 Moab over Moab huilen, allemaal zullen zij huilen; over de37 fundamenten van Kir-Hareseth zult u38 zuchten, zeker,39 zij zijn gebroken.
840 Want41 de velden van42 Hesbon43 zijn verflauwd, ook de wijnstok van44 Sibma,45 de heren van de heidenen hebben zijn uitgelezen planten46 verpletterd;47 zij reiken tot Jaëzer toe, zij dwalen48 door de woestijn; hun49 scheuten zijn uitgespreid, zij zijn50 gegaan over zee.
951 Daarom beween ik, in de gehuil over Jaëzer, de wijnstok van Sibma,52 ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleale! want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst53 is gevallen;
10Zo dat de blijdschap en vrolijkheid54 weggenomen is55 van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt;56 de druiventreder treedt57 geen wijn uit58 in de wijnbakken,59 ik heb60 het vreugdegeschrei doen ophouden.
1161 Daarom62 rommelt mijn binnenste63 over Moab,64 als een harp, en65 mijn binnenste66 over67 Kir-Heres.
12En het zal gebeuren, als men zien zal, dat Moab68 vermoeid is geworden69 op de hoogten, dan zal70 hij71 in zijn heiligdom gaan om te aanbidden,72 maar hij zal niet vermogen.
13Dit is het woord, dat JAHWEH tegen Moab gesproken heeft,73 van toen af.
14Maar nu spreekt JAHWEH, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren van een huurling), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.