Jesaja 14

11 Want JAHWEH zal Zich2 over Jakob3 ontfermen, en4 Hij zal Israël5 nog6 verkiezen, en Hij7 zal8 hen in hun land zetten; en9 de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen. 2En10 de volken zullen hen aannemen, en11 in hun plaats brengen; en12 het huis van Israël zal hen erfelijk13 bezitten in het land van JAHWEH tot knechten en tot maagden; en14 zij zullen gevangen houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers. 3En het zal gebeuren op de dag wanneer15 u JAHWEH rust geven zal van uw smart, en van uw beroering, ena van de harde dienstbaarheid, waarin men u heeft doen dienen; 4Dan zult u deze spreuk16 opnemen17 tegen de koning van Babel, en zeggen:18 Hoe houdt19 de drijver op? Hoe houdt20 de goudene op? 5JAHWEH heeft21 de stok van de goddelozen gebroken, de scepter van de heersers. 6Die de volken plaagde in toorn22 met een plaag zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerste, die wordt23 vervolgd, zonder dat het iemand afweren kan. 7De hele24 aarde25 rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich. 8Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat u daar neerligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe. 929 Het dodenrijk van onderen was beroerd om uwentwil,30 om u tegemoet te gaan,31 als u kwaamt;32 zij wekt om uwentwil33 de doden op,34 al de bokken van de aarde; zij doet al de koningen van35 de heidenen van hun tronen opstaan. 10Die altegader zullen36 antwoorden, en tot u zeggen:37 U bent ook ziek geworden, gelijk wij, u bent ons gelijk geworden. 11Uw hoogmoed is38 in het dodenrijk39 neergestort,40 met het geklank van uw luiten;41 de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken. 12Hoe bent u uit de hemel gevallen,43 o morgenster, u zoon van de dageraads! hoe bent u ter aarde neergehouwen,44 u, die de heidenen krenktet! 13En zei in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven46 de sterren van God verhogen; en ik zal mij zetten op47 de berg van48b de samenkomst aan de zijden van het noorden. 14Ik zal boven de hoogten van de wolken klimmen, ik zal de Allerhoogste gelijk worden. 15Ja,50 in het dodenrijk zult u51 neergestoten worden, aan de zijden van de kuil! 16Die u zien zullen,53 zullen u aanschouwen,54 zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven? 17Die de wereld als een woestijn stelde, en van die steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe? 18Al de koningen van de heidenen, zij57 allen liggen neer met eer, ieder in zijn huis; 19Maar u bent verworpen van uw graf, als59 een gruwelijke scheut,60 als een kleed van de gedoden, die61 met het zwaard doorstoken zijn; als die62 neerdalen63 in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam. 20U zult daarbij niet gevoegd worden in de begrafenis; want u hebt65 uw land verdorven, en uw volkc gedood; het66 zaad67 van de boosdoeners zal68 in de69 eeuwigheid niet genoemd worden. 21Maakt de slachting voor zijn kinderen gereed,d om hun vaderen ongerechtigheid wil; dat zij niet opstaan, en de aarde erven, en de wereld72 vervullen73 met steden; 22Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt JAHWEH van de legermachten, en Ik zal van Babel uitroeien de naam en het overblijfsel,e en76 de zoon en de zoonszoon, spreekt JAHWEH. 23En Ik zal hen stellenf tot een erfenis79 van de nachtuilen, en tot waterpoelen; en Ik zal hen met een bezem van het verderf uitvagen, spreekt JAHWEH van de legermachten. 24JAHWEH van de legermachten heeft gezworen, zeggende: Als niet, gelijk Ik gedacht heb, het zo geschiede, en gelijk Ik beraadslaagd heb, het bestaan zal! 25Dat Ik Assur in Mijn land zal verbreken, en hem op84 Mijn bergen vertreden;85 opdat86 zijn juk87 van hen afwijke, en88 zijn last van89 hun schouder wijke. 26Dit is de raadslag, die beraadslaagd is over dat hele land; en dit is de hand, die uitgestrekt is92 over alle volken. 27Want JAHWEH van de legermachten heeft het in Zijn raad besloten,g wie zal het dan verbreken? enh Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren?95 28In het jaar,i toen de koning Achaz stierf, gebeurde deze last. 29Verheug u niet, u geheel Palestina! dat de roede die u sloeg, gebroken is; want uit de wortel van de slang100 zal een basilisk voortkomen, en101 haar102 vrucht zal103 een vurige vliegende draak zijn. 30En de eerstgeborenen van de armen zullen weiden, en de armen zullen zeker neerliggen;106 uw wortel daarentegen zal Ik door de honger doden, en uw overblijfsel zal107 hij ombrengen. 31Huil, u poort, schreeuw, u stad! u bent110 gesmolten, u geheel Palestina! want111 van het noorden komt112 een rook, en113 er is geen eenzame114 in zijn samenkomsten. 32Wat zal men dan antwoorden de boden van het volk? Dat JAHWEH Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten117118 van Zijn volk een toevlucht daarin hebben zouden.