Jesaja 13

11 De last van2 Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft. 23 Heft op4 een banier, op een hoge berg;5 verheft een stem tot hen;6 beweeg de hand omhoog, dat7 zij8 intrekken door de deuren9 van de prinsen. 310 Ik heb11 aan Mijn geheiligden12 bevel gegeven; ook heb Ik13 tot Mijn toorn geroepen14 Mijn helden,15 de vrolijke van Mijn hoogheid. 416 Er is een ruisende stem17 op de bergen,18 gelijk van een groot volk;19 een stem van gedruis van de koninkrijken, van de verzamelde heidenen; JAHWEH van20 de legermachten monstert het leger. 5Zij komen21 uit ver land,22 van het einde van de hemel; JAHWEH en23 de instrumenten Zijn toorn, om dat hele land te verderven. 6Huil24 u, want25 de dag van JAHWEH is nabij;26 hij komt als een verwoesting van de Almachtige. 727 Daarom zullen28 alle handen slap worden, en29 alle mensen hart30 zal versmelten; 8En31 zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw;32 ieder zal over zijn naaste33 verbaasd zijn; hun aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn. 9Ziet,34 de dag van JAHWEH komt, gruwelijk, met toorn en35 hittigen toorn, om36 het land37 te stellen tot verwoesting, en38 daarvan zondaars daaruit te vernietigen. 10Want39 de sterren van de hemel en zijn40 gesternten zullen haar licht niet laten lichten;a de zon zal verduisterd worden,41 wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. 11Want42 Ik zal over de43 wereld de boosheid44 bezoeken, en over de goddelozen hun ongerechtigheid; en Ik zal de hoogmoed van de stouten doen ophouden, en de hoogmoed van de tirannen zal Ik vernederen. 12Ik zal maken, dat een man45 dierbaarder zal zijn dan46 dicht goud, en een mens dan fijn goud van47 Ofir. 1348 Daarom zal Ik49 de hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de toorn van JAHWEH van de legermachten, en vanwege50 de dag Zijn hittigen toorns. 14En ieder zal zijn als een verjaagde ree, en51 als een schaap, dat niemand verzamelt;52 ieder53 zal naar zijn volk omzien, en ieder zal naar zijn land vluchten. 15Al wie54 gevonden wordt, zal doorstoken worden, en al55 wie daarbij gevoegd is, zal door het zwaard vallen. 16Ook zullen hun kinderen voor hun ogen56 verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen geschonden worden. 17Ziet, Ik zal57 de Meden tegen hen verwekken,58 die het zilver niet zullen achten, en aan het goud zullen zij geen lust hebben. 18Maar hun bogen zullen de jongemannen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen59 over de vrucht van de buiks; hun oog zal de kinderen niet60 sparen. 19Zo zal Babel,61 het sieraad van de koninkrijken, de heerlijkheid, de trots van de Chaldeeën, zijn62 gelijkb als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft. 2063 Daar64 zal geen woonplaats zijn in de eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en65 de Arabier zal daar geen tent spannen, en de herders zullen er niet legeren. 21Maar daar zullen neerliggen67 de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden68 met schrikkelijke gedierten, en daar zullen69 de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen. 22En71 wilde dieren van de eilanden72 zullen in zijn73 verlaten plaatsen74 elkaar toeroepen, en ook de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden.