Hooglied 7
11 Hoe schoon zijn2 uw gangen in de schoenen,3 u prinsendochter! de4 omdraaiingen van uw heupen zijn5 als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen van een kunstenaar6.
2Uw navel is als een ronde beker,8 die geen drank ontbreekt;9 uw buik is als één hoop tarwe,10 rondom bezet met leliën.
311 Uw tweea borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree.
412 Uw hals is13 als een elpenbenen toren,14 uw ogen zijn als de vijvers te15 Hesbon,16 bij de poort van17 Bath-rabbim; uw neus is als18 de toren van Libanon,19 die tegen20 Damascus ziet.
5Uw hoofd op u is als21 Karmel, en22 de haarband van uw hoofd als23 purper;24 de koning is als gebonden25 op de galerijen.
626b Hoe schoon bent u, en hoe liefelijk bent u, o liefde,27 in hartstochten!
7Deze uw28 lengte is te vergelijken bij een29 palmboom, en uw borsten bij30 druiftrossen.
8Ik zei: Ik zal op de palmboom klimmen, ik zal zijn takken grijpen; zo zullen dan uw borsten zijn als druiftrossen aan de wijnstok, en de reuk van uw neus als appelen.
9En37 uw gehemelte als goede wijn, die38 recht39 tot mijn Geliefde gaat,40 doende de lippen van de slapenden spreken.
1042c Ik ben van mijn Liefste, en Zijn43 genegenheid is tot mij.
11Kom, mijn Liefste!44 laat ons uitgaan45 in het46 veld, laat ons overnachten op de dorpen.
12Laat ons vroeg ons opmaken48 naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit,49 de jonge druifjes50 zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten;51 daar zal ik U52 mijn uitnemende liefde geven.
13De dudaim54 geven reuk, en55 aan onze deuren zijn56 allerlei edele vruchten,57 nieuwe en oude; o mijn Liefste!58 die heb ik voor U weggelegd.