Hooglied 8
11 Och, dat U mij als een Broeder was,2 zuigende de borsten van mijn moeder! dat ik U op de straat vond, ik zou U3 kussen, ook zouden zij mij niet4 verachten.
2Ik zou5 U leiden, ik zou U brengen6 in het huis van mijn moeder,7 U zou mij leren;8 ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en9 van het sap van mijn granaatappelen.
310a Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
411b Ik bezweer u, u dochters van12 Jeruzalem! dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, voordat het haar lust!
513 Wie is zij, die daar opklimt uit14 de woestijn, en15 liefelijk leunt op haar Liefste?16 Onder de appelboom17 heb ik u opgewekt,18 daar heeft u19 uw moeder20 met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft.
621 Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel22 op Uw arm; want23 de liefde is sterk24 als de dood;25 de ijver is hard als het graf;26 haar kolen zijn vurige kolen,27 vlammen van JAHWEH.
728 Vele wateren zoudenc deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet29 verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde,30 men zou hem te enenmale verachten.
831 Wij hebben een32 kleine zus,33 die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zus doen in die dag,34 als men van haar spreken zal?
935 Zo36 zij een37 muur is,38 wij zullen39 een paleis40 van zilver41 op haar bouwen; en zo42 zij een deur is, wij zullen43 haar rondom44 bezetten met cederen planken.
1045 Ik ben een muur en46 mijn borsten zijn als torens.47 Toen was ik in48 Zijn ogen49 als een, die vrede vindt.
1150 Salomo had een wijngaard,51 te Baäl-hamon;52 hij gaf deze wijngaard aan53 de hoeders, een ieder bracht voor de vrucht daarvan duizend5455 zilverlingen.
1256 Mijn wijngaard,57 die ik heb,58 is voor mijn aangezicht;59 de duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo!60 maar tweehonderd zijn voor de hoeders van de vrucht daarvan.
1361 O u bewoonster62 van de hoven!63 de metgezellen merken op uw stem; doe64 ze Mij horen.
1465d Kom haastig, mijn Liefste! en wees U gelijk66 een ree, of gelijk een welp van de herten op de bergen van de specerijen.