Hooglied 6
11 Waar is uw Liefste heengegaan, o u schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste2 het aangezicht3 gewend, opdat wij Hem met u zoeken?
24 Mijn Liefste is afgegaan5 in Zijn hof, tot6 de specerijbedden,7 om te weiden8 in de hoven, en9 om de leliën te verzamelen.
310 Ik ben van mijn Liefste, en mijn Liefste is van mij,11 Die onder de leliën weidt.
412a U bent schoon, Mijn vriendin, gelijk13 Thirza, liefelijk als14 Jeruzalem,15 schrikkelijk16 als slagorden met banieren.
517 Wend uw ogen18 van Mij af, want19 zij doen Mij geweld aan;20 uw haar is als een kudde geiten, die21 het gras van Gilead afscheren.
622 Uw tanden zijn als een kudde schapen, die uit de wasstede opkomen, die al samen tweelingen voortbrengen, en daaronder is geen jongeloos.
723 Uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.
824 Er zijn25 zestig koninginnen en tachtig26 bijwijven, en27 maagden zonder getal.
9Één enige is Mijn duif, Mijn volmaakte,29 de enige van haar moeder, zij is30 de zuivere31 van degenen, die haar gebaard heeft; als32 de dochters33 haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en34 zij35 zullen haar prijzen.
10Wie is zij, die er37 uitziet38 als de dageraad, schoon, gelijk39 de maan,40 zuiver41 als de zon,42 schrikkelijk als slagorden met banieren?
11Ik ben tot de44 notenhof afgegaan om de45 groene vruchten46 van de vallei te zien; om te zien, of de47 wijnstok bloeide, de granaatbomen48 uitbotten.
12Voordat ik het wist, zette mij mijn ziel op de wagens51 van mijnb vrijwillig volk.
13Keer weer, keer weer, o Sulammith! Keer weer, keer weer, dat54 wij u mogen55 aanzien.56 Wat ziet u de Sulammith aan? Zij is als57 een rei58 van twee heiren.