Hebreeën 2

11 Daarom moeten wij ons te meer houden aan wat van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger2 tijd doorvloeien. 2Want alsa het woord,3 door de engelen gesproken, vast is geweest, enb alle overtreding en ongehoorzaamheid4 rechtvaardige vergelding ontvangen heeft; 3c Hoe zullen wij5 ontvluchten, als wij op6 zo grote zaligheid geen acht nemen?d die,7 begonnen zijnde verkondigd te worden door8 de Heere, aan ons9 bevestigd is geworden10 van degenen, die Hem gehoord hebben; 4e God bovendien11 medegetuigende door tekenen, en wonderen, en allerlei krachten en bedelingen van de Heilige Geest, naar Zijn wil. 512 Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen13 de toekomende wereld, van welke wij spreken. 6Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat U hem gedenkt, of de mensenzoon, dat U hem bezoekt! 7U hebt hem17 een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond, en U hebt hem gesteld over de werken van Uw handen; 8g Alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij18 niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij;19 maar nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; 920 Maar wij zien Jezush met heerlijkheid en eer gekroond,i Die een weinig minder dan de engelen geworden was,21 vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God22 voor allen de dood23 smaken zou. 10Want het paste24 Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele25 kinderen26 tot de heerlijkheid leidende,27 de oversten Leidsman van hun zaligheid door lijden zou28 heiligen. 11Want29 en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden,k zijn allen30 uit één; om welke oorzaak31 Hij Zich32 niet schaamt hen broeders te noemen. 1233 Zeggende:l Ik zal Uw naam Mijn broeders verkondigen; in het midden van de Gemeente zal Ik U lofzingen. 13En opnieuw:34m Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen.35 En opnieuw:n Zie daar, Ik en de kinderen,36 die Mij God gegeven heeft. 14Omdat dan37 de kinderen38 van het vlees en bloed deelachtig zijn,o zo is Hij ook39 evenzo daaraan deelachtig geworden,p opdat Hij door de dood40 te niet doen zou degene, die het geweld van de dood41 had, dat is,42 de duivel; 15En verlossen zou allen43 die met vrees voor de dood, door al hun leven,44q aan de dienstbaarheid onderworpen waren. 16Want werkelijk,45 Hij neemt de engelen niet aan, maar46 Hij neemt het zaad van Abraham aan. 17r Waarom Hij47 in alles de broeders moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen,48 die bij God te doen waren, om de zonden van het volk te verzoenen. 18s Want in wat Hij Zelf,49 verzocht zijnde, geleden heeft,50 kan Hij van hen, die verzocht worden, te hulp komen.