Hebreeën 1
Boekinleiding
lees meer ▾
DEZE zendbrief is een zeer treffelijk Schrift van de Nieuwen Testaments, waarin de uitnementheid van de persoon en van de ambten JEZUS CHRISTUS onze Salighmakers met een ordre de Apostel Paulus in mee...
DEZE zendbrief is een zeer treffelijk Schrift van de Nieuwen Testaments, waarin de uitnementheid van de persoon en van de ambten JEZUS CHRISTUS onze Salighmakers met een ordre de Apostel Paulus in meest alle zijn brieven gebruikelijk, en met een zeer Goddelijken stijl wordt beschreven, tot aan ’t 19 vers van ’t 10 Capit. Van waar voort tot het ein de van de briefs verscheiden vermaningen worden voor-gesteld, dienende tot versterking in ’t geloof, en in den Christelijken wandel. Wat de persoon CHRISTUS aangaat, daarvan handelt hij in de 2 eerste Hoofdstukken. In het 1 Capit. bewijst hij zijn waarachtige en eeuwige Godtheid, met een verklaring van zijn uitnementheid boven alle Engelen. In ’t 2 Capit. bewijst hij zijn ware menselijke natuere, die hij uit de zade Abrahams heeft aangenomen tot onser verlossing. In ’t 3 en 4 Capit. spreekt hij van zijn Prophetisch ambt, en verheft dat verre boven het ambt van de Profeten Mozes, en bewijst dat zijn leer weerdiger en krachtiger is, en daarom noch met meerder sorghvuldigheid moet worden waargenomen. In ’t 5 Hfst. begint hij te spreken van CHRISTUS Roeping tot het Priesterlijk ambt, en na dat hij een tusschen-reden gebruikt had van ’t 11 vers af van de 5 Hfst. tot aan het ein de van de 6 Capit. dienende om haar tot aandacht en sorghvuldigheid in het vast-houden van deze leer te verwekken, zo komt hij in ’t 7 Capit. en verklaart de eigenschap van het Koninklijk en Priesterlijk ambt CHRISTUS, door een geduerige vergelijking van Melchisedek en zijn ambten, tot het ein de van de Capit. In het 8 Capit. stelt hij de voortreffelikheid van het Priesterlijk ambt CHRISTUS voor oogen, door de vergelijking van het Oude Verbond met de voortreffelikheid van de Nieuwen Verbondts: en eindeling van het begin van de 9 Capit. tot het 19 vers van het 10 Capit. verklaart hij de eigenschappen en uitnementheid van het Priesterlijk ambt CHRISTUS door een vergelijking met het ambt van de Priesters van de Ouden Testaments, en in het bijzonder met het ambt van de Hoogen-Priesters, zo in zijn andere bedieningen, als in zijn jaarlikschen ingank in het heilige van de heiligen: en besluit daar mede de handeling van ’t eerste deel van de Send-briefs. In ’t 19 vers van ’t 10 Capit. komt hij tot het tweede deel van de briefs, en vermaand haar in ’t gemeen tot gehoorzaamheid en standvastigheid in deze voorgestelde leer, niet tegenstaande haar verdrukkingen, en zijn banden. Daar na handelt hij van het geloof en de eigenschappen van de geloofs door het geheel elfde Capit. en van de eigenschappen van de Christelijker hope en lijdtsaamheid in ’t 12 Hfst. en van verscheidene plichten van de liefde tot het 20 vers van ’t 13 Hfst. en van daar tot het ein de toe, besluit hij de brief met een ernstig gebed tot God voor haar, met een korte vermaning en verhaal van Timothei verlossing, en met de gewoonlijke groete.
11 God,2 voorheen3 veelmaal en4 op allerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in5 deze laatste dagen tot6 ons gesproken7 door de Zoon;
2Die Hij8 gesteld heefta tot een Erfgenaam van alles,b door Welke Hij ook9 de wereld gemaakt heeft;
3c Die, zo Hij is10 het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en11 het uitgedrukte Beeld12 van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen13 draagt14 door het woord van Zijn15 kracht, nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft,16 is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;
4Zoveel treffelijker geworden dan de engelen,17 als Hijd uitmuntender Naam boven hen18 geërfd heeft.
5Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd:19e U bent Mijn Zoon,20 heden heb ik U21 gegenereerd? En opnieuw:22f Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?
6En als Hij opnieuw de Eerstgeborene23 inbrengt in de wereld, zegtg Hij: En dat alle engelen van God Hem aanbidden.
7En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaren een vlam van het vuur.
8Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de scepter van Uw koninkrijk is een rechte scepter.
9U hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God!30 Uw God31 gezalfd32 met olie van de vreugde boven Uw33 metgezellen.
1034 En:k U, Heere! hebt35 in de beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken van Uw handen;
11l Dezelfde zullen vergaan, maar36 U blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;
12En als37 een dekkleed zult U ze ineenrollen, en zij zullen38 veranderd worden; maar U bent Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden.
13En tot welke van de engelen heeft Hij ooit39m gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten?
14Zijn zij niet allen40 gedienstige geesten, die tot dienst41 uitgezonden worden, omwille van degenen, die de zaligheid beërven zullen?