Hebreeën 3
11 Hierom, heilige broeders, die2 van de hemelse roeping deelachtig bent,3 beschouw de4 Apostel en5a Hogepriester6 van onze belijdenis, Christus Jezus;
2Die getrouw is Dengene,7 Die Hem gesteld heeft,b zoals ook Mozes in geheel8 zijn huis was.
3Want9 Deze is zoveel meerder heerlijkheid waard geacht dan Mozes, als degene, die het huis10 gebouwd heeft, meerder eer heeft,11 dan het huis.
4Want een ieder huis wordt van iemand gebouwd;c maar12 Die dit alles gebouwd heeft,13 is God.
5En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar,14d tot getuiging van de dingen, die daarna gesproken zouden worden;
6Maar Christus,15 als de Zoon over Zijn eigen huis;e Wiens16 huis wij zijn,f als wij maar17 de vrijmoedigheid en18 de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden.
7Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Heden, als u Zijn stem hoort,
8Zo22 verhardt uw harten niet,h zoals23 het geschied is in de verbittering,24 op de dag van de verzoeking, in de woestijn;
9Alwaar Mij uw vaders25 verzocht hebben; zij hebben26 Mij beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang.
10Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend.
11i Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn;30 Als zij31 in Mijn rust zullen ingaan!
12Ziet toe,32 broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij33 een boos, ongelovig hart, om af te wijken van de levende God;
13Maar vermaant34 elkaar elke dag,35 zolang als het heden genoemd wordt, opdat niet iemand uit u verhard wordt door de verleiding van de zonde.
14Want wij zijn36 Christus deelachtig geworden, zo wij anders het begin37 van deze vaste grond tot het einde toe vast behouden;
1538 Terwijl er gezegd wordt:k Heden, als u Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet, zoals in de verbittering geschied is.
16Want sommigen, als zij die gehoord hadden, hebben Hem39 verbitterd, maar niet allen, die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn.
17Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen,40 die gezondigd hadden,l wier lichamen gevallen zijn in de woestijn41?
18m En welke heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan van hen, die ongehoorzaam geweest waren?
19En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan42 vanwege hun ongeloof.