Het woord verantwoordelijkheid komt in de Bijbel niet voor. Zij zegt het met beelden: iets is je in handen gegeven, en Iemand vraagt het terug — van uw hand zal Ik het eisen. De eerste twee gesprekken die God na de zondeval met mensen voert, zijn allebei één vraag: Waar bent u? en Waar is uw broer? En de eerste twee antwoorden zijn allebei een ontwijking. De hele Bijbel daarna is God die de vraag blijft stellen, en mensen die leren er eerlijk op te antwoorden.
Lees ook: Bijbelstudie Van uw hand zal Ik het eisen — alle teksten op een rij.
Herhaling: Schrijf de drie memorisatieteksten van les 10 uit je hoofd op:
1. Schrijf Psalm 119:97 uit je hoofd op.
2. Schrijf Filippenzen 2:12-13 uit je hoofd op.
3. Schrijf 1 Johannes 1:9 uit je hoofd op.
⏱ Geschatte studietijd: 1 - 3 uur
Zoek de onderstaande teksten op en beantwoord de vragen.
Pak je fysieke bijbel erbij! Zoek de teksten op en streep ze aan.
Of lees online in de Open Vertaling 2026.
Leeswerk: Lees Genesis 3 en 4 en Ezechiël 33:1-20 in hun geheel. Schrijf op wat je opvalt.
De opdracht, en de eerste excuses
Vraag 1: Welke opdracht kreeg de mens vóór de zondeval? Wat zegt dat over verantwoordelijkheid: straf of taak? (Genesis 2:15)
Vraag 2: Welke vraag stelt God aan Adam? En aan wie geeft Adam in één zin de schuld — tel ze? (Genesis 3:9, 12)
Vraag 3: Wat antwoordt Kaïn op Gods vraag, en waarmee beantwoordt God zijn tegenvraag? (Genesis 4:9-10)
Vraag 4: Hoe verklaart Aäron het gouden kalf? (Exodus 32:22-24)
Vraag 5: Vergelijk de belijdenis van Saul met die van David. Welk woordje maakt het verschil? En hoe snel komt Nathans antwoord? (1 Samuël 15:24; 2 Samuël 12:13)
Vraag 6: Wat doet Pilatus, en wat zegt hij daarbij? Wast dat iets af? (Mattheüs 27:24)
Vraag 7: Waarom deed de knecht met het ene talent niets, en hoe noemt zijn heer hem? (Mattheüs 25:24-26)
Vraag 8: Wanneer telt “ik wist het niet” wel, en wanneer niet? Lees de drie teksten en schrijf het verschil op. (Spreuken 24:12; Lukas 12:47-48; Lukas 23:34)
Ieder voor zichzelf
Vraag 9: Draagt een zoon de schuld van zijn vader? En wat loopt volgens Exodus 20:5 wél door, en bij wie? (Ezechiël 18:20; Exodus 20:5)
Vraag 10: Wat staat er in Galaten 6:2, en wat drie verzen later in 6:5? Hoe kunnen beide waar zijn?
Vraag 11: Van welke woorden geven wij rekenschap? (Mattheüs 12:36)
Vraag 12: Wat is zonde volgens Jakobus 4:17? Wat deden de priester en de Leviet verkeerd — of deden ze juist niets? (Lukas 10:31-32)
Verantwoordelijk voor de ander
Vraag 13: Wat is het verschil tussen de eerste os en de tweede? Welke veiligheidsplicht staat in Deuteronomium 22:8? (Exodus 21:28-29; Deuteronomium 22:8)
Vraag 14: Waarvoor is de wachter verantwoordelijk, en waarvoor niet? (Ezechiël 33:7-9)
Vraag 15: Wat eist God van de herders? Van wie wordt volgens Jezus meer geëist? (Ezechiël 34:2-4, 10; Lukas 12:48)
Vraag 16: Waarom viel Eli — om wat zijn zonen deden, of om iets anders? (1 Samuël 3:13)
Vraag 17: Kreeg Mozes korting nadat hij veertig jaar getergd was? (Numeri 20:12)
Verantwoordelijkheid nemen
Vraag 18: Wat belijdt Daniël, terwijl hij zelf niets misdaan heeft? Hoe verhoudt zich dat tot Ezechiël 18? (Daniël 9:5, 8)
Vraag 19: Wat moet er gebeuren ná het belijden volgens Numeri 5:7? En wat doet Zacheüs? (Lukas 19:8)
Vraag 20: Wat kenmerkt de man van Psalm 15:4?
Vraag 21: Wat zegt Paulus over wie niet wil werken? (2 Tessalonicensen 3:10)
Vraag 22: Waar ligt de maat van trouw: in het grote of in het minste? (Lukas 16:10)
Vraag 23: Wat mag je afgeven, en wat niet? Maak het onderscheid tussen je zorg en je taak. (1 Petrus 5:7; Filippenzen 1:6; Mattheüs 11:30)
Vraag 24: Van wiens hand is uiteindelijk de rekening geëist? Wat verandert dat aan hoe jij de vraag “Waar bent u?” beantwoordt? (Jesaja 53:6; 1 Petrus 2:24)
Slotopdracht: Schrijf één ding op waarvoor je tot nu toe een excuus had — de omstandigheden, een ander, angst, “ik wist het niet”. Schrijf het op zonder bijzin, zoals David. En schrijf op wat je er deze week mee doet: terugbetalen, alsnog doen, of het zeggen tegen wie het aangaat.
Mijn slotopdracht:
Memoriseren
Leer deze drie teksten uit je hoofd:
- Romeinen 14:12 — Zo dan ieder van ons zal voor zichzelf voor God rekenschap geven.
- Galaten 6:5 — Want ieder zal zijn eigen pak dragen.
- Jakobus 4:17 — Wie dan weet goed te doen, en niet doet, die is het zonde.