Zefanja 2
11 Doorzoek u zelf nauw, ja,2 doorzoek nauw, u volk,3 dat met geen lust bevangen wordt!
24 Voordat het besluit bare (gelijk5 kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hitte van de toorn van JAHWEH over u nog niet komt; terwijl de dag van de toorn van JAHWEH over u nog niet komt.
3Zoekt JAHWEH, alle6 u zachtmoedigen van het land, die7 Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid,8 misschien9 zult u verborgen worden in de dag van de toorn van JAHWEH.
410 Want Gaza11 zal verlaten wezen, en Askelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal12 men in de middag verdrijven, en13 Ekron zal uitgeworteld worden.
5Wee de inwoneren14 van de landstreek van de zee, de volken15 van de16 Cheretim! Het woord van JAHWEH zal tegen u zijn, u Kanaän, van de Filistijnen land! en17 Ik zal u18 verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.
6En19 de landstreek van de zee zal wezen tot hutten,20 uitgegraven putten van de herder, en betuiningen van de kudden.
7En21 de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van22 Juda, dat zij daarin weiden;23 's avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren,24 als JAHWEH, hun God, hen zal25 bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben.
8Ik heb26 de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden van de kinderen Ammons, waarmee zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben27 zich groot gemaakt tegen zijn landpale.
9Daarom,28 zo waarachtig als Ik leef, spreekt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël:29 Moab zal zeker zijn30 als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, een netelheide, en31 een zoutgroeve, en een verwoesting32 tot in eeuwigheid! De overigen van Mijn volk33 zullen ze beroven, en het overige van Mijn volk34 zal ze erfelijk bezitten.
10Dat zullen zij hebben35 in plaats van hun hoogmoed; want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van JAHWEH van de legermachten.
11Vreselijk zal JAHWEH tegen hen wezen, want Hij zal al de goden van de aarde36 doen uitteren; en37 ieder uit zijn plaats38 zal Hem aanbidden,39 al de eilanden van de heidenen.
1240 Ook u, Moren! zult de verslagenen41 van Mijn zwaard zijn.
1342 Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het Noorden, en Hij zal43 Assur verdoen; en Hij zal Nineve44 stellen tot een verwoesting,45 droog als een woestijn.
14En in het midden van haar zullen de kudden legeren, al het gedierte van46 de volken; ook de47 roerdomp, ook de nachtuil zullen op48 haar granaatappelen overnachten;49 een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal50 in de dorpel zijn, als51 Hij52 haar cederwerk53 zal ontbloot hebben.
15Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.