Zefanja 1

Boekinleiding lees meer ▾ DE Profeet Zephan-ja, is één van de kleine Profeten, die voor de Babylonische gevangenis geprofeetert hebben: want de drie volgende Profeten hebben geleeft en geprofeetert, zo ten tijde van de verloss...
DE Profeet Zephan-ja, is één van de kleine Profeten, die voor de Babylonische gevangenis geprofeetert hebben: want de drie volgende Profeten hebben geleeft en geprofeetert, zo ten tijde van de verlossing van de Joodse volks uit de Babylonische gevangenis, als daarna. Zephanja heeft geleeft ten tijde van de Konings Iosiae, doe Ieremia begost te profeteren, en de profeets Hulda ook profeeterde. Zephanja voorzegd de inwoonderen van Jeruzalem, en de gehele stamme van Iuda, dat zij van wegen haar Afgoderie, en andre zonden, door de Chaldeen zouden verstoort worden: Ondertussen vermaand hyse tot boete: en hij profeetert tegen enige uitlandse volkeren. Daarna keert hij opnieuw tot de zonden en hartnekkigheid van de inwoonderen van Jeruzalem, en ook de straffen die zij te verwachten hadden. Ten slotte vermaand hij de godtsalige tot patientie, en troost ze met Evangelische beloften van de versameling en uitbreiding van de Kerk ten tijde van de MESSIAS, door de Roeping van de heidenen, en ook hoe God dezelfde zou heiligen, zegenen, en heerlijk maken, en dat hij ter contrarie alle haar vijanden verdelgen zou.
1Het woord van JAHWEH, dat geschied is tot1 Zefanja, de zoon2 van Cuschi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia;3 in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda. 2Ik zal4 geheel alles wegrapen5 uit dit land, spreekt JAHWEH. 3Ik zal wegrapen mensen en6 beesten; Ik zal wegrapen de vogels van de hemel, en de vissen van de zee, en7 de struikelblokken met de goddelozen; ja, Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt JAHWEH. 48 En Ik zal Mijn hand9 uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal10 uit deze plaats uitroeien11 het overblijfsel van Baäl, en de naam12 van de Chemarim13 met de priesters; 514 En15 die zich neerbuigen op16 de daken voor17 het leger van de hemel, en die zich18 neerbuigende zweren bij JAHWEH, en19 zweren20 bij Malcham; 6Ena die terugkeren van achter JAHWEH; en die JAHWEH niet zoeken, en vragen naar Hem niet. 721 Zwijgt22 voor het aangezicht van de Heere JAHWEH; want23 de dag van JAHWEH is nabij; want JAHWEH heeft24 een slachtoffer bereid, Hij heeft25 Zijn genodigden26 geheiligd. 8En het zal gebeuren in de dag van het slachtoffer van27 JAHWEH, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en28 over de kinderen van de koning, en over allen,29 die zich kleden met vreemde kleding. 9Ook zal Ik op diezelfde dag30 bezoeking doen31 over al wie over de dorpel springt;32 die het huis van hun heren33 vullen met geweld en bedrog. 10En er zal34 op die dag, spreekt JAHWEH, een stem van het gekrijt35 zijn van36 de Vispoort af, en een gehuil van37 het tweede gedeelte, en38 een grote breuk39 van de heuvelen af. 11Huil, u inwoners40 van de laagte! Want al het volk van41 koophandel is42 uitgehouwen, al43 de gelddragers zijn uitgeroeid. 12En het zal gebeuren te die tijde,44 Ik zal Jeruzalem45 met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over46 de mannen,47 die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart48 zeggen: JAHWEH doet geen goed, en Hij doet geen kwaad. 13Daarom zal49 hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting;50 zij bouwen wel huizen, maar zij51 zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen van die wijn niet drinken. 1452 De grote dag van JAHWEH is nabij; hij is nabij, en zeer haastende;53 de stem van54 de dag van JAHWEH;55 de held zal daar bitter schreeuwen. 15Die dag zal een dag56 van de toorn zijn; een dag van de benauwdheid en van de angstes, een dag van de woestheid en verwoesting,b een dag van de duisternis en van de donkerheid, een dag van de wolk en van de dikke donkerheid; 1657 Een dag van de bazuin en van het geklank tegen de versterkte steden en tegen58 de hoge hoeken. 17En Ik zal de mensen bang maken, dat zij zullen gaan59 als de blinden; want zij hebben tegen JAHWEH gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden60 als stof, en hun61 vlees62 zal worden als mest. 18Nochc hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen reddend op de dag van de toorn van JAHWEH;63 maar door het vuur Zijn ijvers zal dit hele land64 verteerd worden; want65 Hij zal een voleinding maken, zeker, een haastige, met al de inwoners66 van dit land.