Zacharia 9

11 De last van het woord van JAHWEH2 over het land3 Chadrach en4 Damascus,5 daarvan rust; want6 JAHWEH heeft een oog over de mens, gelijk over al de stammen van Israël. 2En ook zal7 Hij8 Hamath9 daarmee10 bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel11 zij12 zeer wijs is; 3En Tyrus zich vestingen gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft13 als stof, en fijn goud als slijk van de straten; 4Zie, JAHWEH zal haar14 uit het bezit stoten, en15 Hij zal haar vesting in de zee verslaan; en zij zal met vuur verteerd worden. 516 Askelon zal het zien, en zal vrezen; evenzo Gaza, en zal17 grote smart hebben, en ook Ekron, omdat wat,18 waar zij op zagen,19 hen heeft te schande gemaakt; en20 de koning van Gaza21 zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden. 6En23 de bastaard zal te Asdod24 wonen, en Ik zal25 de hoogmoed van de Filistijnen uitroeien. 7En26 Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegdoen, en27 zijn verfoeiselen28 van tussen zijn tanden; zo zal29 hij ook30 onze God overblijven; ja, hij zal zijn31 als een vorst in Juda,32 en Ekron als de Jebusiet. 8En Ik zal Mij33 rondom34 Mijn huis legeren, vanwege35 het leger, vanwege de doorgaande, en vanwege de wederkerende, opdat36 de drijver niet meer37 door hen doorga; want nu heb Ik38 het met Mijn ogen39 aangezien. 9Verheug u zeer,40 u dochter van Sion! juich, u dochter van Jeruzalem! Zie,41 uw Koning42 zal u komen, rechtvaardig, en43 Hij is een Heiland;44 arm, en rijdende op een ezel,45 en op een veulen,46 een jong van de ezelinnen. 10En47 Ik zal de wagens uit48 Efraïm uitroeien, en de paarden49 uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal de heidenen50 vrede spreken; en Zijn heerschappij51 zal zijn van zee tot aan zee, en van52 de rivier tot aan de einden van de aarde. 11U ook aangaande, o Sion!54 doora het bloed van uw verbond, heb Ik uw gebondenen uit de kuil, daar geen water in is, uitgelaten. 12Keert u weer55 tot de vesting,56 u gebondenen, die daar hoopt!57 ook heden verkondig Ik,58 dat Ik u dubbel zal wedergeven; 1359 Als Ik Mij Juda zal60 gespannen, en Ik Efraïm de boog61 zal gevuld hebben; en Ik uw kinderen, o Sion! zal verwekt hebben tegen uw kinderen,62 o Griekenland! en63 u gesteld zal hebben als het zwaard van een held. 14En JAHWEH zal over hen verschijnen, en Zijn pijlen zullen uitvaren als een bliksem; en de Adonai6465 JAHWEH66b zal met de bazuin blazen, en Hij zal voorttreden67 met stormen uit het zuiden. 15JAHWEH van de legermachten zal68 hen beschutten, en zij zullen69 eten, nadat zij70 de slingerstenen zullen ten ondergebracht hebben; zij zullen ook drinken,71 en een gedruis maken als de wijn; en72 zij zullen vervuld worden, gelijk het bekken, gelijk de hoeken van het altaar. 16En JAHWEH, hun God, zal ze op die dag73 behouden, als zijnde de kudde van Zijn volk; want74 gekroonde stenen zullen75 in Zijn land,76 als een banier, opgericht worden. 17Want hoe groot zal77 zijn78 goed wezen en hoe groot zal zijn schoonheid wezen!79 Het koren zal de jongemannen, en de most zal de jonkvrouwen80 sprekende maken.