Zacharia 13
11 Te die dage zal2 er een Fontein3 geopend zijn4 voor het huis van David, en voor de inwoners van Jeruzalem,5 tegen de zonde en tegen6 de onreinheid.
2En het zal op die dag gebeuren, spreekt JAHWEH van de legermachten, dat Ik uitroeien zal uit het land7 de namen van8 de afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja, ook9 de profeten, en10 de onreine geest11 zal Ik uit het land wegdoen.
3En het zal gebeuren, wanneer iemand12 meer profeteert,13 dat zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, tot hem zullen14 zeggen: U zult niet leven, omdat u valsheid gesproken hebt in de Naam van JAHWEH; en zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben,15 zullen hem doorsteken, wanneer hij16 profeteert.
4En het zal gebeuren op die dag, dat17 die profeten18 beschaamd zullen worden, ieder vanwege19 zijn visioen, wanneer hij profeteert; en zij zullen20 geen haar mantel aandoen, om te liegen.
5Maar21 hij zal zeggen: Ik ben geen profeet,22 ik ben een man, die het land bouwt; want23 een mens heeft mij daartoe geworven van mijn jeugd aan.
6En zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmee ik geslagen ben, in het huis van mijn liefhebbers.
726 Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man,27 Die Mijn Metgezel is, spreekt JAHWEH van de legermachten; slaa die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot28 de kleinen29 wenden.
8En het zal gebeuren in het hele land, spreekt JAHWEH,30 de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden,31 en de geest geven; maar32 het derde deel zal daarin overblijven.
9En Ik zal33 dat derde deel34 in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven,b gelijk men goud beproeft;35c het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen:d Het is Mijn volk; en het zal zeggen: JAHWEH is mijn God.