Zacharia 1

Boekinleiding lees meer ▾ ZAcharia is de tweede Profeet, die na de verlossing uit de Babylonische gevangenis, onder de Joden gepredikt heeft, maar twee maanden na de Profeet Haggai aanvangende te prediken, te weten in de achts...
ZAcharia is de tweede Profeet, die na de verlossing uit de Babylonische gevangenis, onder de Joden gepredikt heeft, maar twee maanden na de Profeet Haggai aanvangende te prediken, te weten in de achtste maant van het tweede jaar van de Konings Darij. In dit Boek worden veel treffelijke stukken verhandeld, waarvan dit de voornaamste zijn: Voor eerst, zo vermaand hij de Joden die uit de Babylonische gevangenis weer in het Joodse Land gekeert waren, tot boete en ware bekering: Ten tweeden, zo vertelt hij enige Gezichten, door de welke de JAHWEH haar leert, hoe vaderlijk hij zich harer hebbe aangenomen, en in het bijzonder hoe goedertierentlijk hij haar uit de Babylonische gevangenis verlost hebbe, met belofte dat hij voortaan haar in zijn beschutting en bescherming zou aannemen, indien zij haar oprechtelijk tot hem bekeerden, en ijverig de Tempel weer opbouwen zouden: Ten derden profeetert Zacharias van de verdelging van de vijanden van de volks Gods, als ook van de toekomste van de MESSIAS, en de weldaden die hij zijn Kerk bewijzen zou, en ook van de aanwas van de zelfr van wegen de bekering van de heidenen tot de zelf.
1In1 de achtste maand, in het tweede jaar2 van Darius, gebeurde het woord van JAHWEH tot Zacharia, de zoon3 van Berechja, de zoon van Iddo,4 de profeet, zeggende: 2JAHWEH is5 zeer vertoornd geweest tegen uw vaderen. 3Daarom zeg tot hen: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Keert weer tot Mij, spreekt JAHWEH van de legermachten, zo zal Ik weer tot u keren, zegt JAHWEH van de legermachten. 4Weest niet als uw vaderen, tot die de vorige profeten riepen, zeggende: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Bekeert u toch van uw boze wegen, en uw boze handelingen; maar zij hoorden niet, en zij luisterden niet naar Mij, spreekt JAHWEH. 5Uw vaderen,10 waar zijn die? En de profeten,11 zullen zij12 in eeuwigheid leven? 6Toch Mijn woorden en Mijn voorschriften, die Ik Mijn knechten, de profeten,13 geboden had,14 hebben zij uw vaders niet getroffen? zodat zij wederkerende zeiden:15b Zoals JAHWEH van de legermachten gedacht heeft ons te doen, naar onze wegen en naar onze handelingen, zo heeft Hij met ons gedaan. 7Op de vier en twintigsten dag, in de elfde maand (die de16 maand Schebat is), in het tweede jaar van Darius, gebeurde het woord van JAHWEH tot Zacharia, de zoon17 van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende: 8Ik zag in de nacht, en ziet,18 een Man rijdende19 op een rood paard, en20 Hij stond tussen de mirten,21 die in de diepte waren; en22 achter Hem waren23 rode, bruine en witte paarden. 9En Ik zei: Mijn Heere! wat zijn deze? Toen zei tot mij de Engel, Die met mij sprak: Ik zal u tonen, wat deze zijn. 10Toen antwoordde de Man, Die tussen de mirten stond, en zei: Deze zijn het, die JAHWEH uitgezonden heeft, om het land te doorwandelen. 11En zij30 antwoordden31 de Engel van JAHWEH, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben32 het land doorwandeld, en ziet,33 het hele land34 zit en het is stil. 12Toen antwoordde de Engel van JAHWEH, en zei: JAHWEH van de legermachten! hoe lang zult U Zich niet ontfermen over Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke U gram geweest bent, deze zeventig jaren? 13En JAHWEH antwoordde de Engel, Die38 met mij sprak,39 goede woorden,40 troostelijke woorden. 14En de Engel, Die met mij sprak, zei tot mij: Roep uit, zeggende: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver. 15En Ik ben met een zeer grote toorn vertoornd42 tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig43 boos, maar zij hebben ten kwade geholpen. 16Daarom zegt JAHWEH zo: Ik ben tot Jeruzalem teruggekeerd met ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt JAHWEH van de legermachten, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden. 17Roep nog, zeggende: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Mijn steden zullen nog uitgespreid worden vanwege het goede; want JAHWEH zal Sion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen. 18En ik hief mijn ogen op, en zag; en ziet, er waren49 vier hoornen. 19En ik zei tot de Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze? En Hij zei tot mij: Dat zijn de hoornen, welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben. 20En JAHWEH toonde mij vier52 smeden. 21Toen zei ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen, die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief; maar deze zijn gekomen om die te verschrikken, om de hoornen van de heidenen neer te werpen, welke de hoorn verheven hebben tegen het land van Juda, om dat te verstrooien.