Spreuken 8

11 Roepta de Wijsheid niet, en2 verheft niet de Verstandigheid Haar stem? 2Op de3 spits van4 de hoge5 plaatsen, aan de weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij; 36 Aan de zijde van de poorten,7 voor aan de stad, aan de ingang van de deuren roept8 Zij overluid: 4Tot u, o9 mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen. 5U10 eenvoudigen! verstaat11 kloekzinnigheid, en u12 zotten! verstaat met het hart. 6Hoort, want ik zal13 vorstelijke dingen spreken, en14 de opening van mijn lippen zal enkel billijkheid zijn. 7Want Mijn15 gehemelte zal de waarheid weloverwogen uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen16 een gruwel. 8Al de redenen van Mijn mond zijn in gerechtigheid; er is niets17 verdraaids, noch verkeerds in. 9Zij zijn alle18 recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap19 vinden. 10Neemt Mijn tucht aan, en20 niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen21 uitgegraven goud. 11b Want wijsheid is beter dan22 robijnen, en23 al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken. 1224 Ik, Wijsheid, woon bij de25 kloekzinnigheid, en vinde de kennis van26 alle bedachtzaamheid. 1327 De vrees voor JAHWEH is, te haten het kwade, de trots, en de hoogmoed, en de28 kwade weg; Ik haat ook de29 mond van de verkeerdheden. 14Raad en het30 wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte. 15Door Mij regeren de koningen, en de vorsten31 stellen32 gerechtigheid. 16Door Mij heersen de heersers, en de33 prinsen, al de rechters van de aarde. 17Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij34 vroeg zoeken, zullen Mij35 vinden. 18c Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid. 19d Mijn36 vrucht is beter dan37 uitgegraven goud, en dan38 dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver. 20Ik doe wandelen op de39 weg van de gerechtigheid, in het midden van de paden van het recht; 21Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig40 is, en Ik zal hun schatkameren vervullen. 2241 JAHWEH bezat42 Mij43 in het begin44 van Zijn weg,45 voor Zijn werken,46 van toen aan. 23Ik ben van eeuwigheid af47 gezalfd geweest; vane de48 aanvang, van de oudheden van de aarde aan. 24Ik was49 geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren,50 zwaar van water; 25Aleer de bergen51 ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren. 2652 Hij had de aarde53 nog niet gemaakt, noch54 de velden, noch55 de aanvang van de stofjes van de wereld. 27Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar;f toen Hij56 een cirkel57 over het vlakke van de afgrond beschreef; 28Toen Hij de opperwolken van boven58 vestigde; toen Hijg de fonteinen van de59 afgrond vastmaakte; 29Toen Hij van de zee haar60 perk zette, opdat de waterenh Zijn61 bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten van de aarde62 stelde; 30Toen was Ik een63 voedsterling bij Hem, en Ik was64 dagelijks65 Zijn vermakingen, altijd voor Zijn aangezicht spelende; 3166 Spelende in de wereld Zijn aarde, en Mijn vermakingen zijn67 met de mensenkinderen. 32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzaligk zijn zij,68 die Mijn wegen bewaren. 33Hoort de tucht, en wordt wijs, en69 verwerpt die niet. 34Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort,70 dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Van mijn deuren. 35Want die Mij vindt, vindt het leven,l en71 trekt een welgevallen van JAHWEH. 36Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel72 geweld aan; allen, die73 Mij haten,74 hebben de dood lief.