Spreuken 6
11 Mijn zoon! zo u voor uw naaste borg geworden bent,2 voor een vreemde3 uw hand toegeklapt hebt;
24 U bent verstrikt met de redenen van uw mond; u bent gevangen met de redenen van uw mond.
3Doe nu dit, mijn zoon! en5 red u, omdat u6 in de hand van uw naasten gekomen bent; ga,7 onderwerp uzelf, en8 sterk uw naaste.
49 Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering;
510 Red u, als een ree uit de hand van de jagers, en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.
6Ga tot de mier, u luiaard! zie haar11 wegen, en word wijs;
7Die, geen12 overste, ambtman noch heerser hebbende,
8Haar13 brood bereidt in de zomer, haar voedsel verzamelt in de oogst.
9Hoe lang zult u,a luiaard, neerliggen? Wanneer zult u van uw slaap opstaan?
1014 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al neerliggende;
11Zo zal uw armoede u overkomen15 als een wandelaar, en uw gebrek16 als een gewapend man.
12Een17 Belialsmens,18 een ondeugdzaam man gaat met19 verkeerdheid van de monds om;
1320 Wenkt met21 zijn ogen,22 spreekt met zijn voeten,23 leert met zijn vingeren;
14In zijn24 hart zijn verkeerdheden,25 hij smeedt altijd kwaad;26 hij werpt twisten in.
15Daarom zal zijn verderf haastig komen; hij zal plotseling verbroken worden, dat27 er geen genezen aan zij.
16Deze28 zes haat JAHWEH; ja,29 zeven zijn Zijn30 ziel een gruwel:
1731b Hoge ogen, een32 valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;
18Een hart, dat33 ondeugdzame gedachten smeedt;34c voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;
1935 Een vals getuige, die leugens36 blaast; en die tussen broers krakelen37 inwerpt.
20Mijn zoon,d bewaar het gebod van uw vader, en verlaat de wet van uw moeder niet.
2138 Bind ze steeds aane uw hart, hecht ze aan uw hals.
22Als u wandelt, zal39f dat u geleiden; als u neerligt, zal het over u de wacht houden; als u wakker wordt, zal het40 met u spreken.
23Want41g het gebod is een42 lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen van43 de tucht zijn de44 weg van het leven;
24Om u te bewaren voor de45 kwade vrouw, voor het gevlei van de46h vreemde47 tong.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen48 met haar oogleden.
26Want door49 een vrouw, die een hoer is, komt men tot50 een stuk broods; en51 van een man huisvrouw52 jaagt de kostelijke ziel.
2753 Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn kleren niet verbrand worden?
28Zal iemand op54 kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?
2955 Zo die56 tot van zijn naasten huisvrouw ingaat; al wie57 haar aanroert, zal niet58 onschuldig gehouden worden.
3059 Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn60 ziel te vullen, omdat hij honger heeft;
31En gevonden zijnde, vergeldt hij het61i zevenvoudig; hij geeft62 al het goed van zijn huis.
32Maar die met een vrouw overspel doet,63 is verstandeloos; hij verderft zijn ziel,64 die dat doet;
33Plaag en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet65 uitgewist worden.
34Want jaloërsheid is een woede van de man; en66 in de dag van de wraak zal hij67 niet sparen.
3568 Hij zal geen verzoening aannemen; en hij69 zal niet bewilligen, hoewel u het70 geschenk vergroot.