Spreuken 2
11 Mijn zoon! zo u mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u2 weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo u uw hart tot3 verstandigheid neigt;
34 Ja, zo u tot het verstand5 roept, uw stem6 verheft tot de verstandigheid;
4a Zo u haar zoekt als7 zilver, en naspeurt als verborgen schatten;
5Dan zult u de vrees voor JAHWEH verstaan, en zult de kennis van8 God vinden.
6b Want JAHWEH geeft wijsheid;9 uit Zijn mond komt kennis en verstand.
7Hij legt weg voor de oprechten een10 bestendig wezen;11 Hij is een Schild van hen, die12 oprecht wandelen;
8Opdat zij13 de paden van het recht houden; en Hij zal de weg van Zijn14 gunstgenoten15 bewaren.
9Dan zult u verstaan16 gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en17 alle goed pad.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
11Zo zal de bedachtzaamheid18 over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
12Om u te redden van19 de kwade weg, van de man, die20 verkeerdheden spreekt;
13Van degenen, die21 de paden van de22 oprechtheid verlaten, om23 te gaan in de wegen van de duisternis;
14Die blij zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden24 van de kwaden;
1525 Wier paden verkeerd zijn26, en27 afwijkende in hun sporen;
1628 Om u te redden van29 de vreemde vrouw,c van de onbekende,30 die met haar redenen vleit;
17Die de31 leidsman haar jeugd verlaat, en32 het verbond van haar God vergeet;
1833 Want haar huis helt34 naar de dood, en haar paden naar de35 overledenen.
19Allen die36 tot haar ingaan,37 zullen niet terugkomen, en zullen de paden38 van het leven niet aantreffen;
2039 Opdat u wandelt op de weg van de goeden, en houdt de40 paden van41 de rechtvaardigen.
21d Want de vromen42 zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin43 overblijven;
22e Maar de goddelozen44 zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de45 trouwelozen zullen er van uitgerukt worden.