Psalmen 95

11 Komt, laat ons JAHWEH vrolijk zingen; laat ons juichen voor de Rotssteen van ons heil. 2Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons voor Hem juichen met psalmen. 3Want JAHWEH is een groot God; ja, een groot Koning2 boven alle goden; 4a In Wiens hand de diepste plaatsen van de aarde zijn, en3 de hoogten van de bergen zijn van Hem; 5Van Wie ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge gevormd. 6Komt, laat ons aanbidden en neerbuigen; laat ons knielen voor JAHWEH,4 Die ons gemaakt heeft. 7b Want Hij is onze God, en wij zijn het volk van Zijn weide, en de schapen5 van Zijn hand.6c Heden, zo u Zijn stem hoort, 8Verhardt uw hart niet,d zoals te Meriba, zoals op de dag7 van Massa in de woestijn; 98 Waar Mij uw vaders verzochten,e Mij beproefden, ook9 Mijn werk zagen. 10f Veertig jaren heb Ik verdriet gehad10 aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk,11 dwalende van hart, en12 zij kennen13 Mijn wegen niet. 11Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen:14 Zo zij15 in Mijn rust zullen ingaan!