Psalmen 142
11 Een onderwijzing van David, een gebed,2 als hij in de grot was.
2Ik riep met mijn stem tot JAHWEH; ik smeekte tot JAHWEH met mijn stem.
3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
4a Als mijn geest in mij3 overstelpt was, zo hebt4 U mijn pad gekend.5 Zij hebben mij een strik6 verborgen op de weg, die ik gaan zou.
5Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand,7 die mij kende,8 er was geen ontvluchten voor mij; niemand9 zorgde10 voor mijn ziel.
6Tot U riep ik, o JAHWEH! ik zei: U bent mijn Toevlucht, mijn Deel in het land van de levenden.
7Let op mijn geschrei, want ik ben zeer13 uitgeteerd;c red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik.
8Voer14 mijn ziel15 uit de gevangenis, om Uw Naam te loven;16 de rechtvaardigen zullen17 mij omringen,18 wanneer U wel bij mij zult gedaan hebben.