Psalmen 132

11 Een lied Hammaäloth.2 O JAHWEH!3 gedenk aan David, aan al zijn lijden; 2Dat hij JAHWEH4 gezworen heeft, de Machtige Jakobs5 gelofte gedaan heeft, zeggende: 36a Zo ik in de tent7 van mijn huis inga, zo ik op de koets8 van mijn bed klimme! 4Zo ik mijn ogen9 slaap geve, mijn oogleden sluimering; 5Totdat ik voor JAHWEH een plaats gevonden10 zal hebben, woningen voor de Machtige111213 Jakobs!14 6Ziet, wij hebben15 van haar gehoord16 in Efratha;17 wij hebben haar gevonden in de velden van18 Jaär. 7Wij zullen in19 Zijn woningen ingaan, wij zullen ons neerbuigen20 voor21 de voetbank van Zijn voeten. 822 Sta op, JAHWEH!23 tot Uw rust,24 U en de ark van Uw sterkte! 9Dat Uw priesters25 bekleed worden met gerechtigheid, en dat26 Uw gunstgenoten juichen. 1027 Weer het aangezicht van Uw28 Gezalfde niet af,29 omwille van David, Uw knecht. 11JAHWEH heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht van uw buik zal Ik op uw troon zetten. 12Als uw zonen33 Mijn verbond zullen houden, en34 Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen35 tot in eeuwigheid op uw troon zitten. 13Want JAHWEH heeft36 Sion gekozen, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: 14c Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik37 heb ze begeerd. 15Ik zal38 haar voedsel39 rijk zegenen, haar armen zal Ik met brood verzadigen. 16End haar priesters zal Ik40 met heil bekleden, en41 haar gunstgenoten zullen42 zeer juichen. 1743e Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb44 voor Mijn45 Gezalfde een lamp gereedgemaakt. 1846 Ik zal zijn vijanden47 met schaamte bekleden; maar op hem48 zal zijn kroon49 bloeien.