Psalmen 129

11 Een lied Hammaäloth.2 Zij hebben mij dikwijls benauwd3 van mijn jeugd af, zeg nu4 Israël; 2Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overweldigd. 35 Ploegers6 hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun7 voren lang getogen. 4JAHWEH, Die rechtvaardig is,8 heeft de touwen van de goddelozen afgehouwen. 59 Laat hen beschaamd en achteruit gedreven worden, allen, die10 Sion haten. 6a Laat hen worden als11 gras op de12 daken, dat verdort,13 voordat men het uittrekt; 714 Waarmee de maaier zijn15 hand niet vult, noch de schovenbinder zijn16 arm; 816En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen van JAHWEH zij17 bij u!18 Wij zegenen u in de Naam van JAHWEH.