Psalmen 123
11 Een lied op Hammaäloth.a Ik2 hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
2Zie, gelijk de ogen van de knechten3 zijn op de hand van hun heren; gelijk de ogen van de dienstmaagd zijn op de hand haar vrouw; zo zijn onze ogen op JAHWEH, onze God,4 totdat Hij ons genadig zij.
3Wees ons genadig, o JAHWEH! wees ons genadig, want5 wij zijn van de verachting veel te zat.
4Onze ziel is veel te zat van de spot6 van de weelderigen, van de verachting van de hoogmoedigen.