Psalmen 122

11 Een lied Hammaäloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen2 in het huis van JAHWEH gaan. 2Onze voeten3 zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem! 3Jeruzalem is gebouwd,4 als een stad, die wel samengevoegd is; 4Waarheen5 de stammen6 opgaan, de stammen van JAHWEH,7 tot de8 getuigenis Israëls, om de Naam van JAHWEH te danken. 5Want9 daar zijn10 de stoelen van het gericht gezet, de stoelen van het huis van David. 611 Bid om de vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die12 van u houden. 7Vrede zij in uw13 vesting,14 welvaren in uw paleizen. 8Omwille van mijn broeders 15 en mijn vrienden, zal16 ik nu spreken, vrede zij in u! 9Omwille17 van het huis van JAHWEH, onze God,a zal ik het goede voor u zoeken.