Psalmen 115
11 Niet ons, o JAHWEH! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uw goedertierenheid,2 omwille van Uw waarheid.
23 Waarom zouden4 de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?
3Onze God is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
4Hun5 afgoden zijn zilver en goud, het werk van de mensenhanden;
5a Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
6Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;
7Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.
86 Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.
9Israël! vertrouw u op JAHWEH; Hij is7 hun8 Hulp en hun9 Schild.
1010 U11 huis van Aäron! vertrouw op JAHWEH; Hij is hun Hulp en hun Schild.
1112 U, die JAHWEH vreest! vertrouwt op JAHWEH; Hij is hun Hulp en hun Schild.
12JAHWEH is aan ons gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israël zegenen, Hij zal het huis van Aäron zegenen.
13Hij zal zegenen, die JAHWEH vrezen, de kleinen13 met de groten.
14JAHWEH zal de zegen over u14 vermeerderen, over u en over uw kinderen.
15U bent15 JAHWEH gezegend, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft.
1616 Voor wat betreft de hemel, de hemel is van JAHWEH; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.
17De17 doden zullen JAHWEH niet prijzen, noch18 die in de stilte neergedaald zijn.
18Maar19 wij zullen JAHWEH20 loven van nu aan tot in de eeuwigheid. Hallelujah!