Psalmen 106
11 Hallelujah!a Loof JAHWEH, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.
2Wie zal2 de mogendheden van JAHWEH uitspreken, al Zijn lof3 verkondigen?
3Welgelukzalig zijn4 zij, die het recht onderhouden, die altijd gerechtigheid doet.
45 Gedenk aan mij, o JAHWEH!6 naar het welbehagen tot Uw7 volk, bezoek8 mij met Uw heil;
5Opdat ik9 aanschouwe het goede van Uw uitverkorenen; opdat ik mij verblijde10 met de blijdschap van11 Uw volk; opdat ik mij beroeme12 met Uw erfdeel.
6b Wij hebben gezondigd, en ook onze vaderen, wij hebben verkeerd gedaan; wij hebben goddeloos gehandeld.
7Onze vaders in Egypte hebben niet gelet13 op Uw wonderen; zij zijn van de14 menigte van Uw goedertierenheid niet gedachtig geweest;c maar15 zij waren opstandig aan de zee,16 bij de Schelfzee.
8Maar Hij verloste hen omwille van Zijn Naam,d opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.
9En Hij17 schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, ene Hij deed hen wandelen door18 de afgronden,19 als door een woestijn.
10En Hij verloste hen uit de hand20 van de haters, en Hij bevrijdde hen van de hand van de vijand.
11f En de wateren overdekten hun tegenstanders; niet één van hen bleef over.
12g Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.
1321 Maar zij vergaten haast22 Zijn werken,23 zij wachtten naar Zijn raad niet.
14h Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en24 zij verzochten God in de wildernis.
15Toen gaf Hij hun25 hun begeerte; maar Hiji zond26 aan hun zielen een27 magerheid.
16k En zij benijdden28 Mozes in het leger, en29 Aäron, de heilige van JAHWEH.
17l De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte30 de vergadering van Abiram.
18Enm een vuur brandde31 onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand.
19n Zij maakten een kalf bij32 Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.
20En zij veranderden33 hun Eer in de gedaante van34 een os, die gras eet.
21Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;
22Wonderdaden35 in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.
23o Daarom Hij zei, dat Hij hen vernietigen zou, tenzij Mozes, Zijn uitverkorene,36 in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn woede af te keren, dat Hij hen niet verdierf.
24p Zij versmaadden ook37 het gewenste38 land; zij geloofden Zijn woord niet.
25Maar zij morden in hun tenten;39 naar de stem van JAHWEH hoorden zij niet.
26Daarom40q hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende, dat Hij hen neervellen zou in de woestijn;
27En dat Hij hun zaad zou neervellen onder de heidenen, en41 henr verstrooien zou door de landen.
28Ook hebben zij zich gekoppeld aan42s Baäl-peor, en zij hebben43 de offergaven van de doden gegeten.
29En zij hebben de Heere tot toorn verwekt44 met hun daden, zodat de plaag45 een inbreuk onder hen deed.
30Toen stond Pinehas op, en46 hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.
31En het is hem gerekend47 tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.
32t Zij maakten48 Hem ook zeer boos aan het twistwater, en49 het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.
33Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat50 ondoordacht voortbracht met zijn lippen.
34Zij hebben51 die volken niet vernietigd, die JAHWEH hun52 gezegd had;
35Maar53v zij vermengden zich met de heidenen, en leerden van die werken.
36En zij dienden54 hun afgoden, en55 zij werden hun tot een strik.
37x Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochters aan56 de duivelen geofferd.
38En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed van hun zonen en van hun dochters, die zij de afgoden van Kanaän hebben opgeofferd;y zodat57 het land door deze58 bloedschulden is ontheiligd geworden.
39En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben59 gehoereerd door hun daden.
40Daarom is de toorn van JAHWEH ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan60 Zijn erfdeel.
41En61 Hij gaf hen in de hand van de heidenen, en hun haters heersten over hen.
42En62 hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.
43Hij heeft hen63 dikwijls gered; maar zij verbitterden64 Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.
44Toch zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.
45En65 Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en66 het berouwde Hem naar de veelheid van Zijn goedertierenheden.
4667 Daarom gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden.
47Verlos ons, JAHWEH, onze God! en verzamel ons68z uit de heidenen, opdat wij69 de Naam van Uw heiligheid loven,70 ons beroemende in Uw lof.
48Geloofd zij JAHWEH, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zeg: Amen, Hallelujah!