Psalmen 105

11 Loof JAHWEH, roep Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken. 2Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreek aandachtig van al Zijn wonderen. 3a Roem u2 in de Naam van Zijn heiligheid; het hart van degenen, die JAHWEH zoeken, verblijde zich. 4Vraag naar JAHWEH en3 Zijn sterkte; zoekt4 Zijn aangezicht steeds. 5Gedenk van Zijn wonderen,5 die Hij gedaan heeft, Zijn wondertekenen, en6 van de oordelen van Zijn mond. 67 U zaad van Abraham, Zijn knecht, u kinderen van8 Jakob, Zijn uitverkorene! 7Hij is JAHWEH, onze God;9 Zijn oordelen zijn over de hele aarde. 8Hij gedenkt10 aan Zijn verbond tot in de eeuwigheid, van het woord, dat11 Hij ingesteld heeft,12 tot in duizend geslachten; 913 Aan het verbond, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijn eed aan Izak; 10b Die Hij ook gesteld heeft aan Jakob tot een14c inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond, 11Zeggende:d Ik zal u geven het land Kanaän,15 het snoer van uw erfdeel. 12e Als zij16 weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin; 13En wandelden17 van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk; 14f Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook18 bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende: 1519 Tast20 Mijn gezalfde niet aan, en doet Mijn21 profeten geen kwaad. 1622 Hij riep ook een honger in23 het24 land; Hij brak allen staf van het brood. 17Hij zond een man voor hun aangezicht heen;g Jozef werd verkocht tot een slaaf. 18Men drukte zijn voeten25 in de stok;26 zijn persoon kwam27 in de ijzers. 19Tot de tijd toe, dat28 Zijn woord29 kwam, heeft hem30 de rede van JAHWEH31 doorlouterd. 2032 De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser van de33 volken liet hem los. 21Hijh zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed; 22Om34 zijn vorsten te binden35 naar36 zijn lust, en37 zijn oudsten38 te onderwijzen. 23Daarna39 kwam40 Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling41 in het land van Cham. 24Eni Hij deed Zijn volk zeer groeien, en maakte het machtiger dan Zijn42 tegenstanders. 25Hijk keerde43 hun hart om, dat zij Zijn volk haatten,44 dat zij met Zijn knechten45 listig handelden. 26Hijl zond Mozes, Zijn knecht, en46 Aäron, die Hij gekozen had. 27m Zij deden onder hen47 de bevelen van Zijn tekenen, en de wonderwerken48 in het land van Cham. 2849 Hij zond50 duisternis, en maakte het duister; en51 zij waren52 Zijn woord niet opstandig. 2953 Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen. 30Hun land54 bracht vorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kamers55 van hun koningen. 31Hij sprak, en er kwam een vermenging van56 ongedierte,57 luizen, in hun hele landpale. 32Hij58 maakte hun regen tot hagel,59 vlammig vuur in hun land. 33En60 Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte van hun gebied. 34Hij sprak, en er61 kwamen62 sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal; 35Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht van hun akker op. 3663 Hij versloeg ook64 alle eerstgeborenen in hun land, de65 eerstelingen al van hun krachten. 37En Hij voerde hen66 uit met zilver en goud; en67 onder hun stammen was niemand,68 die struikelde. 38n Egypte was blij, als zij uittrokken, want69 hun verschrikking was op hen gevallen. 39Hij breidde70 een wolk uit tot een deksel, en71 vuur om de nacht te verlichten. 4072 Zij baden, en73 Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde74 hen met hemels brood. 4175 Hij76 opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door77 de dorre plaatsen als een rivier. 42Want Hij dacht78 aan Zijn heilig woord,79 aano Abraham, Zijn knecht. 43p Zo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid,80 Zijn uitverkorenen met gejuich. 44En81 Hij gaf hun de landen82 van de heidenen, zodat zij in erfenis bezaten83 de arbeid van de volken; 45q Opdat zij Zijn voorschriften onderhielden, en Zijn wetten bewaarden.84 Hallelujah!