Numeri 16
11 Koracha nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en2 On, de zoon van Peleth,3 zonen van Ruben.
2En zij4 stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen van Israël,5 oversten van6 de vergadering, de geroepenen van de7 samenkomst, mannen van naam.
3En zij verzamelden zich tegen Mozes, en tegen Aäron, en zeiden tot hen:8 Het is te veel voor u, want deze hele vergadering, zij allen, zijn heilig, en JAHWEH is in het midden van hen; waarom dan verheft9 u zich over de gemeente van JAHWEH?
4Als Mozes dit hoorde, zo10 viel hij op zijn aangezicht.
5En hij sprak tot Korach, en tot zijn hele vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal JAHWEH bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, die Hij tot Zich zal doen naderen; en wie Hij gekozen zal hebben, die zal Hij tot Zich doen naderen.
6Doet dit: neemt u wierookvaten, Korach en zijn hele vergadering;
7En doet15 morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor het aangezicht van JAHWEH; en het zal gebeuren, dat de man, die JAHWEH verkiezen zal, die zal heilig zijn.16 Het is te veel voor u, u, kinderen van Levi!
8Verder zei Mozes tot Korach: Hoort toch, u, kinderen van Levi!
9Is het u te weinig, dat de God van Israël u van de vergadering van Israël heeft afgescheiden, om u tot Zich te17 doen naderen; om de dienst van de tabernakel van JAHWEH te bedienen, en te staan voor het aangezicht van de vergadering, om hen te dienen?
10Daar Hij u, en al uw broers, de kinderen van Levi, met u, heeft doen naderen; zoekt u nu ook het priesterambt?
11Daarom u, en uw hele vergadering, u bent verzameld tegen JAHWEH, want Aäron, wat is hij, dat u tegen hem mort?
12En Mozes stelde op heen, om Dathan en Abiram, de zonen van18 Eliab, te roepen; maar19 zij zeiden: Wij zullen niet opkomen!
13Is het te weinig, dat u ons uit een20 land, van melk en honing vloeiende, hebt opgevoerd, om ons te doden in de woestijn, dat u ook21 uzelf ten enenmaal over ons tot een overheer maakt?
14Ook hebt u ons niet gebracht in een land,22 dat van melk en honing vloeit, noch ons akkers en wijngaarden ten erfdeel gegeven. Zult u de ogen23 van deze mannen uitgraven? Wij zullen niet opkomen!
15Toen ontstak Mozes zeer, en hij zei tot JAHWEH: Zie hun offer niet aan! Ik heb niet één ezel van hen genomen, en niet één van hen kwaad gedaan.
16Verder zei Mozes tot Korach: U, en uw hele vergadering, weest voor het aangezicht van JAHWEH; u, en zij, ook Aäron, op morgen.
17En neemt een ieder zijn wierookvat, en legt reukwerk daarin, en brengt voor het aangezicht van JAHWEH, een ieder zijn wierookvat, tweehonderd en vijftig wierookvaten; ook u, en Aäron, een ieder zijn wierookvat.
18Zo namen zij een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarin; en zij stonden voor de deur van de tent van de samenkomst, ook Mozes en Aäron.
19En Korach deed de hele vergadering tegen27 hen verzamelen, aan de deur van de tent van de samenkomst. Toen verscheen de28 heerlijkheid van JAHWEH aan deze hele vergadering.
20En JAHWEH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende:
21Scheidt u af uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen als in een29 ogenblik verteren!
22Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! Godc van30 de geesten van31 alle32 vlees! één enig man zal gezondigd hebben, en zult U Zich over deze hele vergadering enorm vertoornen?
23En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:
24Spreek tot deze vergadering, zeggende: Gaat op van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram.
25Toen stond Mozes op, en ging tot Dathan en Abiram; en achter hem gingen de oudsten van Israël.
26En hij sprak tot de vergadering, zeggende: Wijkt toch af van de tenten van deze goddeloze mannen, en roert niets aan van wat hun is, opdat u niet misschien verdaan wordt in al hun zonden.
27Zo gingen zij op van de woning van Korach, Dathan en Abiram, van rondom; maar Dathan en Abiram gingen uit, staande in de deur van hun tenten,34 met hun vrouwen, en hun zonen, en hun kinderen.
28Toen zei Mozes: Hieraan zult u bekennen, dat JAHWEH mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.
29Als deze zullen sterven,36 zoals alle mensen sterven, en over hen een37 bezoeking zal gedaan worden, naar alle mensen bezoeking,38 zo heeft mij JAHWEH niet gezonden.
30Maar als JAHWEH wat39 nieuws zal scheppen, en de aarde zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat van hen is, en zij levend ter40 dodenrijk zullen neervaren; dan zult u bekennen, dat deze mannen JAHWEH getergd hebben.
31En het gebeurde, als hij geëindigd had al deze woorden te spreken, zo werd de aarde, dat onder hen was, gekloofd;
32En de aarde opende haar mond, end verslond hen met hun huizen, en41 allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de bezittingen.
33En zij voeren neer, zij en42 alles wat van hen was, levend ter43 dodenrijk; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden van de gemeente.
34En het hele Israël, dat rondom hen was, vluchtte voor hun geschrei; want zij zeiden: Dat ons de aarde misschien niet verslinde!
35Daartoe ging een vuur uit van JAHWEH, en verteerde die44 tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden.
36En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:
37Zeg tot Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, dat hij de wierookvaten uit de brand opneme; en strooi het vuur45 verre weg; want46 zij zijn heilig;
38Te weten de wierookvaten van deze,47 die tegen hun zielen gezondigd hebben; dat48 men uitgerekte platen daarvan make, tot een overdeksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht van JAHWEH, daarom zijn zij heilig; en zij zullen de kinderen van Israël tot een49 teken zijn.
39En Eleazar, de priester, nam de koperen wierookvaten, die de verbranden gebracht hadden, en zij rekten ze uit tot een overtreksel voor het altaar;
40Ter nagedachtenis voor de kinderen van Israël, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aäron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht van JAHWEH; opdat hij niet wordt50 als Korach, en zijn vergadering, zoals hem JAHWEH door de51 dienst van Mozes52 gesproken had.
41Maar op de andere dag morde de hele vergadering van de kinderen van Israël tegen Mozes en tegen Aäron, zeggende: U hebt het volk van JAHWEH gedood!
42En het gebeurde, als de vergadering zich verzamelde tegen Mozes en Aäron, en zich wendde naar de tent van de samenkomst, ziet, zo bedekte haar die53 wolk; en de heerlijkheid van JAHWEH verscheen.
43Mozes nu en Aäron kwamen tot voor de tent van de samenkomst.
44Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
4554 Maak u op uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen verteren, als in een ogenblik! Toen vielen55 zij op hun aangezichten.
46En Mozes zei tot Aäron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastig gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht van JAHWEH uitgegaan, de plaag heeft aangevangen.
47En Aäron nam het, zoals Mozes gesproken had, en liep in het midden van de gemeente, en ziet, de plaag had aangevangen onder het volk; en hij legde reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk.
48En hij stond tussen de doden en tussen de levenden; zo werd de plaag58 opgehouden.
49Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve die gestorven waren om de59 zaak van Korach.
50En Aäron keerde weer tot Mozes aan de deur van de tent van de samenkomst; en de plaag was opgehouden.