Micha 7

11 Ai mij!2 want ik ben,3 als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in de wijnoogst geschied zijn; er is geen4 druif om te eten;5 mijn ziel begeert6 vroegrijpe vrucht. 2De7a goedertierene is vergaan8 uit het land, en er is niemand9 oprecht onder de mensen; zij loeren allemaal op10 bloed, zij jagen, ieder zijn broer, met een11 jachtgaren. 312 Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo13 eist de vorst, en de rechterb oordeelt om14 vergelding; en de15 grote spreekt de16c verderving van zijn17 ziel, en zij18 draaien ze dicht ineen. 4De19 beste van hen is als een20 doorn; de oprechtste is scherper dan21 een doornheg; de22 dag van uw23 wachters,24 uw25 bezoeking,26 is gekomen;27 nu zal28 hun29 verwarring wezen. 5Gelooft30 een vriend niet, vertrouwt niet op een31 voornaamste vriend;32 bewaar de deuren van uw mond voor33 haar, die in uw34 schoot35 ligt. 6Want ded zoon36 veracht de vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; van een man37 vijanden zijn38 zijn huisgenoten. 739 Maar ik40 zal uitzien naar JAHWEH, ik zal41 wachten op de God van mijn heil; mijn God zal mij horen. 8Verblijd u niet over42 mij, o mijn43 vijandin! wanneer ik44 gevallen ben,45 zal ik weer opstaan; wanneer ik in46 duisternis47 zal gezeten zijn, zal JAHWEH mij een48 licht zijn. 9Ik zal de toorn50 van JAHWEH49 dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn51 twiste twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij52 uitbrengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn54 gerechtigheid. 10En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is JAHWEH, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk van de straten. 11Op de dag als Hij59 uw60 muren zalg herbouwen, op die dag zal het61 besluit verre heengaan. 12Te die dage zal62 het ook komen tot u toe, van63 Assur af, zelfs tot de64 versterkte steden toe; en van de65 vestingen tot aan de66 rivier, en van67 zee tot zee, en van gebergte tot gebergte. 1368 Maar dit land zal worden tot een69 verwoesting, zijn inwoners halve, vanwege de70h vrucht van hun handelingen. 1471 U72i dan, weid Uw volk met Uw73 staf, de74 kudde van Uw75 erfenis, die76 alleen woont, in het woud, in het midden van77 een vruchtbaar land; laat ze weiden78 in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds. 15Ik zal79 haark wonderen doen zien, als in de dagen, toen80 u uit Egypteland uittrokt. 16De81 heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn,82 vanwege al hun macht; zij zullen de83 hand op de mond leggen; hun oren zullen84 doof worden. 17Zij zullen het85l stof likken, als de slang; als86 kruipende dieren van de aarde, zullen zij87 zich beroeren uit hun sloten; zij zullen88 sidderend komen tot JAHWEH, onze God, en zullen voor89 U vrezen. 18Wie is een God gelijk U, Die de ongerechtigheid90m vergeeft, en de overtreding van het91 overblijfsel van Zijn92 erfenis voorbij gaat? Hij93 houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid;94 want Hij heeft lust aan goedertierenheid. 19Hij zal Zich onzer95 weer ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden96 dempen; ja, U zult al97 hun zonden in de98 diepten van de zee werpen. 20U zult99 Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid100 geven, die U onze vaderen van101 oude dagen af gezworen hebt.